Zingen tegen de woekeraars van Wereldbank en IMF

Bamako. Regie: Abderrahmane Sissako. Met: Aissa Maiga, Tiecoura Traoré, Roland Rappaport, William Bourdon. Inl: Rialto, Amsterda; Filmhuis, Den Haag.

In het begin van Bamako zien we een verbluffend mooie zangeres in een restaurant optreden. Je zou bijna zeggen, een nachtclub, maar men drinkt zo te zien louter cola en op tafel liggen van die geblokte tafelkleedjes die meer bij een schoollokaal dan bij een club horen. Haar gezicht kun je aanraken, zo dichtbij komt de camera als ze yumyumyumyumyumyum zingt. Aan het eind van de film treedt ze nog eens op. Nu in een ander restaurant, waarschijnlijk ook in een ander deel van Afrika. Ze is haar geluk elders gaan beproeven. Nu doet hetzelfde lied haar huilen. Yumyumyumyumyumyum.

Het verdriet van Afrika, zo zou je Bamako van Abderrahmane Sissako kunnen noemen. Terwijl op een eenvoudige binnenplaats in de Malinese hoofdstad Bamako een tribunaal wordt gevoerd tegen de Afrikaanse schuldeisers: de Wereldbank en het International Monetair Fonds (IMF), zien we in de directe omgeving ervan alle facetten van het dagelijks leven die door de internationale schuldenregelingen worden beïnvloed. De zangeres die vlucht. Ziekte. Wanhoop. Armoede. Geweld. De schulden waaronder Afrika, en in dit geval Mali gebukt gaan, veranderen het leven op een beslissende wijze.

Het is alsof Bamako maar één voet zet in het domein van de speelfilm. Er wordt geacteerd. Er is een scenario dat dialogen voorschrijft. Maar het gespeelde lijkt minimaal ten opzichte van de realiteit waar de film zich over buigt. Regisseur Sissako maakt ons getuige van het tribunaal tegen de Wereldbank en de IMF, in de hoofdstad. De internationale instituten wordt ten laste gelegd dat zij de armoede in Afrika misschien niet hebben veroorzaakt, maar dan toch ten minste verergerd.

In Bamako zien we getuigen optreden, advocaten houden vurige pleidooien voor en tegen Wereldbank en IMF. De rechter hoort toe in een rode, met bont afgezette mantel. Zo zou zo’n tribunaal er inderdaad kunnen uitzien, als het er ooit zou komen.

Toch is Bamako ontegenzeglijk een speelfilm. Het tribunaal is niet meer dan de boventoon van de film. Hier wordt de kijker om de oren geslagen met de meest wrange cijfers over de financiële wurggreep waarin Afrika wordt gehouden. In Kenia, zegt een van de getuigen, wordt 12,6 procent van het bruto nationaal product besteed aan sociale voorzieningen en 40 procent aan de aflossing van schulden aan Wereldbank en IMF. In Kameroen gaat 4 procent naar sociale voorzieningen en 36 procent naar de schuldaflossing.

We horen de welbespraakte (blanke) advocaat van ‘Afrika’ vurig een taakstraf voor de internationale organisaties bepleiten. We horen de welbespraakte (blanke) advocaat van Wereldbank en IMF zich verweren tegen al te wilde complottheorieën. Armoede, zegt een aanwezige, verandert de aard van de mensen. Een arme is bereid al zijn idealen te verloochenen. Dat is het idee waarop Sissako – een van de weinige Afrikaanse regisseurs met iets als een regelmatige productie – zijn film baseert.

Maar de ondertoon van Bamako ligt in de omgeving waarin het proces zich voltrekt en die maakt de film cinema en verheft hem hoog boven een leerstuk à la An Inconvenient Truth. Een kleine cour in de hoofdstad is de plaats van handeling. Hij wordt bewaakt door een politieagent bij een stalen toegangsdeur, maar het is allesbehalve Kafka daarbinnen. Terwijl het hof in sessie is, lopen vrouwen af en aan met wastobbes, drentelt een peuter op piepschoentjes, speelt een jongetje voetbal en hangen de mannen indolent rond. In deze omgeving horen ook Mélé en haar gedesillusioneerde man Chaka. Mélé’s lied aan begin en eind van de film blijft onvertaald, ik heb dus geen idee waar het over gaat, maar het is hartverscheurend en niet alleen omdat ze er ten slotte zelf van moet huilen.

We horen de cynische commentaren van de aanwezigen. „Ik heb genoeg van dit proces”, zegt een jongere. „Wanneer is het afgelopen?” „Dat weet niemand”, is het antwoord. Een journalist vraagt aan Chaka, die wellicht ooit even strijdvaardig was als de vrouwen die nu voor het tribunaal komen getuigen, of hij nog een keer in de cassetterecorder wil inspreken dat de beste manier om maatschappelijke verhoudingen te veranderen, de vernietiging van de sociale structuren is. Waarom zou ik, zegt Chaka, er luistert toch niemand.

In de getuigen die voor het tribunaal verschijnen, vervlecht Sissako zijn twee tonen op een subtiele manier. Een oude man neemt aan het begin in de getuigenbank plaats, maar hij is volgens de rechter nog niet aan de beurt. Goed, dan wacht hij wel. „Een geit heeft een mening, maar een kip ook”, zegt hij praktisch. Als hij dagen later nog niet is gehoord, neemt hij het woord opnieuw. Hij zingt. Ook dit lied blijft onvertaald, maar het is een en al woede en wanhoop. Alle magistraten vallen stil, buiten de binnenplaats hangen de mensen onder een luidspreker als dorstigen aan de waterkraan. Misschien klopt het dat de regels van het IMF het vuur van de Afrikanen doven, zoals een getuige zegt, maar als het opflakkert in Bamako, dan gloeit het.