Ze was duidelijk op zoek naar ’n Sodom en Gomorriaanse invalshoek

Weet u al wat het nieuwe ijsdansen is? Het nieuwe sudoku? Het nieuwe sonjabakkeren?

Poker. Ja, echt. Ik kan er ook niets aan doen; ik ga niet over de trends. Maar het is dus poker. Tenminste, dat vernam ik gisteren bij de presentatie van het boek Pokeren voor beginners.

Nu had ik al zo’n vaag vermoeden, want bij het zappen op de late uurtjes stuitte ik de laatste tijd vaak op een programma over een stel onfrisse types aan een halfronde tafel. De types zaten onderuitgezakt en droegen lelijke zonnebrillen. Profpokeraars. Vervolgens kwam er een James Bond over pokeren, toen een Pokeren met BN’ers, en nu is het hek van de dam.

Tijd om het te leren, want aan trends lever ik me graag over. (Behalve aan sonjabakkeren, want daar zou ik aan doodgaan. En ijsdansen, want daar zou ik ook aan doodgaan.)

Bij de presentatie had de crème de la crème van de Nederlandse pokerwereld zich verzameld. Nou ja, niet de echte crème, want dat is pokeraar Marcel Luske, een man die zijn zonnebril altijd verkeerdom draagt. Maar er waren wel enkele aardige, slungelige jongens die zich voorstelden als ‘professionele pokerspelers’. Voor de journalisten gaven zij een workshop poker. Onmiddellijk ging ik aan hun tafel zitten, pokerachtige dingen als ‘Bring ’em on!’ roepend. De enige andere journalist die wilde meedoen was opvallend genoeg een meisje van het Reformatorisch Dagblad. Eerder op de middag had zij vooral vragen gesteld als ‘Is poker verschrikkelijk verslavend?’ Ze was duidelijk op zoek naar een Sodom en Gomorriaanse invalshoek, maar had die nog niet gevonden. De pokerjongens waren namelijk veel te goeiig. Zij zagen poker als de weg naar verlichting. „Ik ken jongens die verslaafd waren aan die klote-gokkasten”, vertelde er een, „maar nu spelen ze poker, en daarom lezen ze Engelse boeken en bestuderen ze de wiskunde.” Ik zeg: alle jonge kinderen acuut aan de poker.

Bij de workshop ontwikkelde ik mijn geheel eigen techniek, die bestond uit bluffen en verliezen. De jongens bleven me echter aanmoedigen. „Als vrouw maak je veel kans om te winnen, want mannen willen altijd tegen je opbieden, ook als ze geen goede kaarten hebben”, zeiden ze tegen me.

Ik voorzag een gouden toekomst. Niet voor mezelf trouwens, maar voor het meisje van het Reformatorisch Dagblad. Zij won ruimschoots van de profpokeraars, en glom achter haar stapels fiches.