Vasalis

Een slecht interview kan grote gevolgen hebben.

Naast mij ligt het Boekenweekgeschenk van 1956, Ontmoetingen met schrijvers, geschreven door dr. P.H. Ritter jr. Daarin staat een interview met de dichteres M. Vasalis. Het beslaat twee pagina’s en er staat bijna niets van enige betekenis in. Ritter gaf zich uit voor patiënt en zocht haar op in haar dokterspraktijk in Amsterdam-Zuid. Hij beschreef haar als ‘een ranke gestalte, sportief gekleed in bruine pantalon, een lichtblauw jak’, ze had ‘niets van pose’ en ‘gewichtigheid’, er was ‘iets vederlichts’ in haar en ze antwoordde in ‘korte zinnen’.

In de kamer lag ook het dochtertje van Vasalis te slapen, wat Ritter inspireerde tot de zin: „Toen het kindje een klein beetje begon te pruttelen, nam de moeder haar uit de wieg en mijn woorden richtten zich tot een liefelijke eenheid.”

Daarmee gebeurde precies waar Vasalis voor gevreesd had: zoetelijk afgebeeld worden als een dichtend moedertje. Het was voor haar reden nooit meer interviews te geven, vertelde Maaike Meijer, de biografe van Vasalis, gisteren op een avond van SLAA in Amsterdam over Vasalis. (Haar biografie komt pas in 2008 uit, zij was nu, evenals Vasalis-kenner Elly de Waard, aanwezig als hoofdgast op een bijeenkomst waar een ander boek over Vasalis werd gepresenteerd: De poëzie van M. Vasalis door Léon Hanssen.)

Ik vermoed dat Vasalis ook zonder deze ervaring de publiciteit zoveel mogelijk zou hebben geschuwd. Ik heb in de jaren zeventig een poosje bij haar in de buurt gewoond, in het Drentse Roden, en ik kan me niet herinneren dat ze daar ooit met een of ander openbaar optreden de aandacht heeft getrokken. Ze had een gezin, beoefende haar vak als psychiater en dichtte, ook al publiceerde ze nauwelijks meer. De rest was ijdelheid, en daar moest ze niets van hebben.

Ze wilde eigenlijk geen schrijver zijn, roem zei haar niets, vertelde Maaike Meijer. Het gedicht was voor haar ‘een seismograaf, gestoken in de wereld’ – ze wilde vooral de dood ontraadselen, laten zien wat er achter de schepping zat. Sub finem, haar befaamde gedicht over sterven, drukt weliswaar berusting uit, maar het is volgens Meijer ‘een berusting die zwaar bevochten is’.

Het was mij de afgelopen dagen al opgevallen toen ik haar poëzie herlas: die obsessie met de de dood, of beter: met de onbegrijpelijkheid van de dood. In Rebus in de bus schrijft ze: Ik rij van Groningen naar Roden. Ik leef een tijdje. Ik begrijp het niet (…) En de slotregel van Eb luidt: Er is geen tijd. Of is er niets dan tijd?

Meijer vertelde dat ze als biografe veel medewerking kreeg. Ze kon praten met de familie en vrienden en kreeg inzage in allerlei tot dusver vertrouwelijke correspondenties, zoals met Van Oorschot, Reve, Van Vriesland en Stols, Vasalis’ eerste uitgever. Uit al dat materiaal treedt Vasalis naar voren als een vrouw met een moreel bewustzijn dat sterk in de Tweede Wereldoorlog is gevormd. In conflicten was ze krachtig en eerlijk, ze verdedigde als enige de dichter Bertus Aafjes tegen de Vijftigers.

Zou Vasalis zo’n biografie hebben gewild? Nee, dat beseft ook Maaike Meijer wel. Maar een goede biografie zou je ook als een overwinning op de dood kunnen beschouwen – en daarmee zou Vasalis misschien weer wél hebben kunnen leven.