‘The Prestige’ is ode aan 19e eeuw

The Prestige. Regie: Christopher Nolan. Met: Chrsitian Bale, Hugh Jackman, Michael Caine, David Bowie. In: 30 bioscopen.

The Prestige is een spiegelzaal, een toneelvloer vol valluiken. The Prestige gaat niet over magie, The Prestige ís magie. Christopher Nolan is een briljante filmmaker en hij wil dus altijd briljante films maken als Following of Memento. Na Batman Begins is The Prestige weer een eigen project, door hemzelf geproduceerd en met zijn broer Jonathan geschreven.

De prestige uit de titel is het derde en beslissende bestanddeel van een goochelact, leren we van de oude technicus Cutter (Michael Caine in een vertrouwd goede rol). Eerst presenteert de goochelaar de elementen van zijn truc: doodgewone spullen. Dan is er de wending: met de spullen gebeurt iets dat normaal gesproken niet kan. Ten slotte is er de prestige een moeilijk vertaalbaar begrip, maar dat erop neerkomt dat de goochelaar de truc afrondt met een miraculeuze verschijning of bevrijding. Zonder de prestige geen applaus. „Niemand klapt voor de man die verdwijnt, ze klappen voor de man die weer opduikt.”

Rond dit principe cirkelen twee ambitieuze illusionisten, Borden (Christian Bale) en Angier (Hugh Jackman), eerst collega’s, dan rivalen die elkaars trucs proberen te stelen, en ten slotte doodsvijanden. Cirkelen is het gepaste woord. Nolan heeft zijn verhaal opgebouwd in cirkels die hij over elkaar legt, zodat je nooit kunt zien waar de ene ophoudt en de andere begint. Elke gebeurtenisin de film, elk voorwerp en ieder personage heeft een tegenhanger. Tegenover de rivaliteit van de twee illusionisten, staat die van twee technici, van twee vrouwen en, op de achtergrond, twee uitvinders.

Dat is het briljante, misschien wel het óverbriljante van The Prestige. De Nolans waren zo gefascineerd door hun duizelingwekkende scenariospiralen, dat de twee rivalen er als personages bekaaid vanaf komen. Hun obsessie met elkaar en elkaars trucs drijft hen tot het uiterste, maar werkelijk anders dan in het begin zijn ze aan het eind niet. Het is te danken aan Jackman en vooral Bale dat de film niet als een te mooi versierde pudding in elkaar ploft.

Maar dat is niet het enige dat de film overeind houdt – daarmee zou je Nolan onrecht doen. Behalve door dubbele bodems en verdwijntrucs zijn de Nolans ook gefascineerd door het tijdvak waarin hun film speelt, de laatste jaren van de negentiende eeuw. Dit tijdvak is even belangrijk als de personages in The Prestige. De opwinding om alle technische ontdekkingen van die jaren is bijna tastbaar. De keuze om vooral met de camera in de hand te filmen, geeft een dynamiek die al te vaak in kostuumfilms ontbreekt.

Centrale figuur in dit tijdvak is de fascinerende (en historische) uitvinder Nikola Tesla, passend gespeeld door David Bowie. De uitvinding van deze technische magiër, grote concurrent van Thomas Edison, ligt in het hart van het mysterie van The Prestige. Een mooi mysterie is het, met een, nee, een páár briljante ontknopingen. Zoals we van Nolan gewend zijn.