Rijke bejaarden gaan toch betalen

PvdA en CDA stonden lijnrecht tegenover elkaar bij hun plannen om toekomstige pensioenen te financieren. Het nu bereikte compromis is afkomstig uit het programma van de ChristenUnie.

Vanaf 2011 bestaan er voor de fiscus twee soorten gepensioneerden: de Bosbejaarden en de Balkenendebejaarden. De Balkenendebejaarden passen in een calvinistisch mensbeeld: ze werken noest door tot hun 65ste en genieten daarna onbezorgd van hun pensioen. De Bosbejaarden voldoen aan het Zwitserlevengevoel: ze beschikken over een aanzienlijk aanvullend pensioen, zijn eerder gestopt met werken en betalen een solidariteitsheffing.

De tweedeling in de belastingheffing voor 65-plussers vloeit voort uit een van de gevoeligste afspraken in het nieuwe regeerakkoord. Balkenende en het CDA kunnen volhouden dat de nadruk ligt op prikkels om langer door te werken. Bos en de PvdA kunnen er op wijzen dat gepensioneerden met een goed pensioen naar vermogen bijdragen aan de kosten van de vergrijzing.

Dit compromis van de informatietafel is in strijd met de afspraken die in 2004 zijn gemaakt met de vakbeweging bij de herziening van het vroegpensioen en de vut door het kabinet-Balkenende II. Toen zegde het kabinet onder druk van de vakbeweging en demonstraties op het Museumplein toe het vroegpensioen voor oudere werknemers te ontzien. Nu worden alle werknemers met een goed pensioen die eerder stoppen met werken, tóch fiscaal aangepakt.

De ‘fiscalisering’ van de AOW – de (gedeeltelijke) betaling van het staatspensioen uit belastingopbrengsten in plaats van uit premies – is tot het laatst een onderwerp gebleven bij de onderhandelingen over het nieuwe regeerakkoord. Het uiteindelijke compromis tussen de standpunten van het CDA (geen ‘Bosbelasting’ voor gepensioneerden) en de PvdA (‘rijke gepensioneerden laten meebetalen aan de AOW’) is afkomstig uit het verkiezingsprogramma van de ChristenUnie: fiscalisering over aanvullende pensioenen vanaf 18.000 euro.

Het Nederlandse pensioenstelsel kent drie pijlers: het staatspensioen (AOW), het aanvullende bedrijfspensioen en het particulier gespaarde pensioen. De AOW wordt grotendeels betaald uit premies die worden opgebracht door werkenden. Deze premie bedraagt 17,9 procent van de eerste twee schijven van de belastingen. Aangezien 65-plussers niet meer werken, zijn ze vrijgesteld van AOW-premies. Hierdoor daalt de belastingdruk voor gepensioneerden. Over inkomens die in de derde en vierde schijf van de belastingen vallen, betalen 65-plussers ook nu het volle tarief.

Met het oog op de oplopende kosten van de AOW door de vergrijzing heeft het eerste kabinet-Kok indertijd besloten om voor de AOW-premies een maximum in te stellen. Het restant wordt bijgepast uit de schatkist. Geleidelijk neemt dit deel toe en het bedraagt op het ogenblik zo’n twintig procent van de kosten van de AOW.

De PvdA wilde een stap verder gaan. In de verkiezingscampagne pleitte Bos voor meebetalen door ‘rijke bejaarden’: vanaf 2007 (later 2011) en voor aanvullende pensioenen vanaf 10.000 euro (later 15.000 euro). Balkenende was hier destijds mordicus tegen.

Nu is afgesproken dat vanaf 2011 mensen die na 1945 zijn geboren én eerder gestopt zijn met werken én een aanvullend pensioen hebben van 18.000 euro of meer (bovenop hun AOW) moeten bijdragen aan de AOW. Voor hen zal het belastingtarief over de eerste en tweede schijf jaarlijks met 0,6 procent omhoog gaan tot dit in 2040, dertig jaar na 2011, is gestegen tot 18 procent, het huidige tarief van de AOW-premie.

Hiermee is de fiscalisering een feit. Maar er zijn zoveel voorwaarden aan verbonden, dat het meer lijkt op een puzzelrit.

De PvdA is bijvoorbeeld beducht dat mensen met ‘zware beroepen’ (een onmogelijk te definiëren begrip voor de fiscus) gedwongen zouden worden langer door te werken. Door een steeds hogere inkomensdrempel te hanteren, hoopt de PvdA dat verreweg de meeste werknemers buiten de heffing zullen vallen. In de slotfase van de kabinetsonderhandelingen ging de drempel voor het aanvullend pensioen daarom nog omhoog van 15.000 naar 18.000 euro.

Uit het regeerakkoord blijkt dat mensen zijn vrijgesteld als ze vóór hun 65ste een bruto-inkomen hebben van ongeveer 38.000 euro (gehuwden) en 43.000 euro (alleenstaanden). Hiermee is de gedeeltelijke fiscalisering geen algemene heffing meer, maar een ‘rijke bejaardenbelasting’ geworden.

Verder is – nog – niet duidelijk hoe mensen zullen worden behandeld die deels stoppen met werken, vroeg met pensioen gaan en voor zichzelf beginnen of inkomen uit een eigen onderneming hebben. Het nieuwe kabinet hoopt de winst vooral te behalen door de fiscalisering te hanteren als prikkel om langer door te werken. Nu werkt één op de vijf mensen tussen hun 60ste en 65ste. Met de introductie van de Balkenende-Bos-Rouvoet-tax zal dat aantal vermoedelijk stijgen. Hogere arbeidsdeelname betekent meer belasting- en premieopbrengsten.