Niet in trek

Klagen over personeelstekort, maar ouderen niet aannemen. Ziedaar de situatie onder werkgevers. Ten onrechte kleeft ouderen een slecht imago aan. Al zullen zij hun zelfbeeld moeten bijstellen.

Werkgevers klagen steen en been over tekort aan personeel. Jonger personeel. Want wie na zijn 45ste zijn baan verliest, komt nauwelijks meer aan de slag. Twee op de drie van hen heeft na een jaar nog geen werk. Na twee jaar zit ruim 40 procent nog thuis. Het gaat om 190.000 werkzoekenden. Toch is er een recordaantal vacatures: 219.000. Een match, zou je zeggen. Door de hoogconjunctuur slinkt het aantal jongere werkzoekenden snel. Waarom worden deze mensen dan niet ingezet?

„Werkgevers nemen ouderen niet serieus”, constateert Roeland Doornbosch. Hij is directeur van een outplacementbureau en tevens voorzitter van de brancheorganisatie. Van de in totaal 45.000 mensen die door zijn branche jaarlijks bij het vinden van een baan wordt geholpen, is een groot gedeelte ouder dan 45 jaar. Ondernemingen zijn huiverig om ouderen aan te nemen, zo merkt Doornbosch in de praktijk. „Ze geven als reden nooit ‘te oud’, maar als verder alles aan het cv klopt, moet dat toch de reden zijn.”

Doornbosch zegt dat werkgevers vaak een „negatief beeld” van oudere werknemers hebben. Ten onrechte. Zo is het niet waar dat ouderen „minder productief, vaker ziek, inflexibel zijn, om maar een paar vooroordelen onder werkgevers te noemen”.

Is niet ook het zelfbeeld van de oudere werknemer daarbij aan correctie toe? Ontslagen ouderen moeten volgens Doornbosch inderdaad bereid zijn van gebaande paden af te wijken. „Ontslag dwingt tot reflectie: wat heb ik te bieden. Ontslag dwingt ook tot verder kijken dan alleen hun beroep. Het is ons werk om uit te vissen wat dat is”, zegt Doornbosch.

Als voorbeeld noemt hij een klant die op haar 53ste is weggesaneerd als arbeidsvoorwaardenspecialist en anderhalf jaar lang aan de slag probeerde te te komen. „Toen was er pas ruimte om écht na te gaan denken. Nu werkt zij in het onderwijs.”

Directeur Tielenius Kruythoff van de branchevereniging vult aan: „Van alle 45.000 kandidaten komt 62 procent terecht in een heel andere branche, onder wie een groot deel 45-plussers.” En zij gaan heus niet altijd minder verdienen. Zo verdient volgens hem driekwart van de geslaagde klanten van een van de grootste outplacementbureaus in Nederland meer dan in hun vorige baan.

Kruythoff benadrukt dat het voor ouderen belangrijk is dat met de outplacement snel begonnen wordt. „Liefst vóór ze op straat staan.”

Een stap terug in salaris kan nodig zijn om weer aan de slag te komen, zeggen beiden. Veel mensen willen in eerste instantie gelijk blijven in salaris. „Maar men is wel bereid iets in te leveren voor een leuke baan”, zegt Kruythoff.

Door de manier van belonen in Nederland bestaat voor ouderen een gat tussen prestatie en beloning, zegt Bernard van Praag, hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam. Beloning is gebaseerd op het principe ‘elk jaar een periodiek erbij’ – en geen stapje terug op hogere leeftijd. Prestatiebeloning wint weliswaar terrein, maar in grote lijnen voldoet de beloning van werknemers nog aan het senioriteitsprincipe. Toch gaat met het ouder worden de productiviteit wel degelijk achteruit, zegt Van Praag. „Het feit dat we op ons 65ste of eerder met pensioen gaan is op zichzelf al een teken dat de meesten van ons op een gegeven moment onvoldoende productief zijn.”

Veel economen hangen volgens van Praag de „politiek correcte mening” aan dat de productiviteit niet van leeftijd afhangt. „De feiten zijn anders”, zegt Van Praag. Maar Nederlandse economen hebben er ook nooit onderzoek naar gedaan. Onderzoek van Judith Hellerstein, econoom aan de Universiteit van Maryland, bevestigt op basis van Amerikaanse gegevens dat de productiviteit voor veel beroepen op hogere leeftijd inderdaad afneemt.

En er komt nog iets bij. Door de combinatie van leeftijdsafhankelijke beloning en dalende productiviteit zitten oudere werknemers in een „gouden kooi”, zegt Van Praag. Ouderen veranderen om die reden niet zomaar van baan. Een nieuwe werkgever zal hen niet tegen hun oude arbeidsvoorwaarden in dienst willen nemen.

Maar de oudere ontslagen werknemer hoeft over zijn oude arbeidsvoorwaarden niet eens te prakkiseren. Hij zal met minder loon genoegen moeten nemen.

Dat neemt niet weg dat de achtergrond van de ontslagen oudere een belangrijke rol blijft spelen. „Iemand die altijd achter hetzelfde bureau heeft gezeten, zal bij een overstap meer moeten inleveren dan iemand die verschillende functies heeft gehad”, zegt Wolter Hassink, econoom aan de Universiteit Utrecht. Kennis achter hetzelfde bureau opgedaan kan bij ontslag opeens waardeloos zijn.

Henk Twerda leidt in Oost-Nederland een project van het CWI (het vroegere arbeidsbureau) om oudere werklozen weer aan het werk te krijgen. De meeste ouderen hebben meer in hun mars dan op het eerste gezicht lijkt, zegt hij. Om hard te maken wat voor kennis zij in huis hebben, test het CWI competenties. Het gaat daarbij om sociale vaardigheden, technische kennis of commerciële vaardigheden. „Mensen zijn zelf vaak verbaasd wat eruit komt. Ze komen in aanmerking voor veel meer functies dan ze zelf hadden gedacht”, zegt Twerda.

Als ze alleen een brief met een cv sturen, zijn hun kansen geringer. Het CWI helpt hen bij het contact leggen met bedrijven. „Je moet vooral in gesprek raken. Ook werkgevers zijn dan vrijwel altijd aangenaam verrast. En ouderen in een baan maken zich snel waar. Ze blijken evenwichtig en zeer loyaal.”

Ook Twerda hoort vaak dat ouderen duurder zijn, minder flexibel en vaker ziek. „Het tegendeel is waar. Ze zijn minder ziek, tenminste als het gaat om kortdurende ziekten, en ze blijken juist flexibel te zijn en zelfstandig te kunnen werken.”

Het minder gunstige beeld van ouderen is wel te verklaren, zegt econoom Hassink. „Een ontslagen werknemer, daar is wellicht wat mis mee, nietwaar?” Al drukt dit negatieve stempel minder op werknemers die het slachtoffer zijn van een massaontslag. Maar het etiket ‘ontslagen oudere’ vormt een nadeel wanneer zo iemand solliciteert.

Maar er gloort hoop. Werkgevers kunnen wegens de hoogconjunctuur minder eenvoudig uitwijken naar jongeren. Zo is sinds begin 2005 het aantal werkzoekenden tussen de 23 en 40 jaar snel geslonken: met 100.000 tot 184.000 begin dit jaar. En het aantal werkzoekenden boven de 50 is sindsdien met 1.700 mensen afgenomen. Nu zien of deze daling zich versnelt.