Levenslust en solidariteit

Het is jammer, maar het woord ‘solidariteit’ doet het niet meer. Het is dermate gemaltraiteerd door een generatie dat een comeback er waarschijnlijk niet inzit. Bij ‘solidariteit’ dacht je aan Nicaragua en de sandinisten, aan Vietnam. Of aan arbeidsongeschikten, werklozen in eigen land. Kortom, te veel narcisme, te veel ordinaire behoud- en gemakzucht onder een dun laagje moralistisch jargon. En zo is de term met het einde van de maakbare samenleving de zee in gedreven. Houd een politicus een microfoon onder de neus en er komen nu termen uit als binding, samenhang of sociale cohesie.

Dat heeft iets zalvends, maar wat moet je ermee?

Het kwam ter sprake aan het andere eind van de wereld, in Singapore, met David Lane, een paar weken geleden. Hij is een onderhoudend man, 54 jaar, een wetenschappelijk genie in de wereld van kankeronderzoek, en hij is de baas van een nieuw instituut hier. Via skype ene-mail volgt hij ook nog zijn onderzoeksinstituut in het Schotse Dundee. Hij heeft nu sinds kort de beschikking over zijn eerste vijf jonge Singaporese onderzoekers. Vier vrouwen en een man, getraind in Amerika. Lane: „Weet je wat ik nou zo geweldig vind: de vader van de één is taxichauffeur, van de ander een kelner in een hotel, en eentje is een slagersdochter. Ik was dat vergeten, wij kennen dat helemaal niet meer, ik herinner me het alleen van vroeger. Het is hier (in Singapore) misschien dan wel geen echte democratie, maar als Europese democraat blijf ik toch puzzelen met wat er met ons in Europa gebeurt.”

Het is een algemeen verschijnsel in veel Europese landen. In Frankrijk is tachtig procent van de studenten op de elitescholen inmiddels zelf kind van ouders van wie één vroeger zo’n instituut heeft bezocht. Dat nota bene in het Europese land bij uitstek dat zich erop beroemt een meritocratie te zijn, waar de slimsten de beste kansen krijgen, ongeacht hun achtergrond. In Duitsland is het niet anders. In het recente zogenoemde Armutsbericht stelt de regering vast: „Kansen op onderwijs zijn erfelijk geworden.” Kinderen van hoogopgeleide ouders gaan daar 2,7 keer eerder naar het gymnasium dan kinderen van ambachtslieden. En voor de universiteit is die kans maar liefst 7,4 keer groter.

Volgens het laatste rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (Investeren in Vermogen) zijn voor Nederland de getallen weinig opwekkender. Gelet op alle beleden intenties bij de drie grote onderwijshervormingen zijn ze eigenlijk ontluisterender. (Misschien ook nog een itempje bij het parlementaire onderzoek onderwijs.)

In Amerika is de trend niet anders. De pijn wordt daar enigszins verzacht door een goed ontwikkeld stelsel van particuliere fondsen – grants – en wie écht goed is en wil, vindt hiermee ook de weg naar peperdure topuniversiteiten. Bovendien heeft Amerika van oudsher een gemakkelijker verhouding tot ongelijkheid: het heeft patriottisme en godsdienst als bindende elementen – en solidariteit is in een land met etnische minderheden nu eenmaal altijd minder ontwikkeld dan in homogene samenlevingen. In plaats daarvan is er de ‘religie van het individualisme’. Desalniettemin springt ook daar meer en meer in het oog dat „rijken beter in staat zijn geworden om de voordelen door te geven aan hun kinderen”, aldus David Brooks onlangs in het zondagsupplement van de New York Times (14 januari).

In vroeger tijden zouden potentiële achterblijvers in Europa ouderwetse ‘solidariteit’ hebben geëist en via vakbonden of bevriende regeringspartijen wat extra herverdeling van inkomens hebben afgedwongen. Dat werkt niet meer. „Maatregelen om inkomens te verdelen hebben nog maar beperkt effect”, stelt de vroegere SPD-voorzitter en huidige Duitse minister van Sociale Zaken Müntefering in de jongste analyse van het Duitse kabinet (Lebenslagen in Deutschland).

Sterker nog: economische groei maakt pas goed zichtbaar wie wint en wie verliest – Hugo Boss komt met een speciale modelijn voor kinderen tussen twee en twaalf en Zeeman doet betere zaken dan ooit.

Je leest wel eens dat Scandinavische landen er iets op gevonden hebben, maar dat is te simpel. Noorwegen heeft olie, Zweden doet het maar matig en goochelt – volstrekt in lijn met de accounting regels overigens – door de massale melkertbanen bij het bruto nationaal product te tellen, ongeacht of iemand iets doet of voornamelijk hangt. Alleen Finland is iets bijzonders. De Finnen kregen door de val van de Sovjet-Unie en het verlies van die handelsbuur de grootste recessie in hun geschiedenis. En die crisis gebruikten ze om de sociale uitgaven met eenderde te korten, prepensioenen te schrappen en al het geld in onderwijs te stoppen – vooral in het middelbaar beroepsonderwijs en voor het bijspijkeren van iedereen op de lagere school met talent. Vijftien jaar later is het daar weliswaar ook niet het paradijs op aarde, maar ze plukken er wel de vruchten van.

Maar kennelijk kan zoiets alleen bij een urgente crisis. Elders heeft vooral de sociaal-democratie zo’n draai niet kunnen of willen maken, geketend als ze was aan de gevestigde belangen van de herverdeling, de ‘solidariteit’.

Toch is gelijkheid van kansen in plaats van vererving van kansen voor binding, cohesie of wat dies meer zij waarschijnlijk veel belangrijker dan de ouderwetse herverdeling.

Of is dit een naïeve, achterhaalde redenering? Is vererving van kansen gewoonweg de nieuwe werkelijkheid en niet een tijdbom, dus niet een probleem maar een feit?

Wat Sir David Lane in Singapore betreft mogen geleerden dat uitzoeken. Voor hem is het overzichtelijker met al die sociaal-economische levenslust om hem heen: „Weet je, het geeft gewoon extra energie om met deze mensen te werken.”

En gelijk heeft hij.