‘Je hoort niemand als we geld geven aan digitale kunst’

Het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst (BKVB) geeft 750.000 euro aan zes multiculturele projecten. De winnaars lichten vandaag hun ideeën toe.

Nederland, Amsterdam, 2006 Lex ter Braak, directeur van het Fonds BKVB Foto Bob Bronshoff/ Hollandse Hoogte Hollandse Hoogte

Samen vormen ze de gedroomde kandidaat. De Droomintendant, heten ze dan ook. Samen bestrijken ze de hele wereld: van de Rotterdamse wijk het Oude Westen, waar Jeanne van Heeswijk de culturele productie gaat opvoeren, tot Iran, waar kunstenares en natuurkundige Atousa Bandeh Ghiasabadi een tentoonstelling met autochtone en allochtone kunstenaars uit Nederland wil opzetten.

Vorig jaar plaatste het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst (BKVB) een advertentie. Gezocht: een bemiddelaar om multiculturele projecten in de beeldende kunst aan te jagen. In de daarop volgende weken ontving het Fonds 47 plannen. Uiteindelijk werden er zes gehonoreerd, waaronder de plannen van Jeanne van Heeswijk, Michael Tedja en Eline van der Vlist. Vanavond presenteren zij hun ideeën in Amsterdam.

Het Fonds BKVB is het tweede overheidsfonds dat binnen korte tijd een fors geldbedrag ter beschikking stelt om meer allochtonen bij de beeldende kunsten te betrekken. Vorig jaar schreef de Mondriaan Stichting een prijsvraag uit; de instelling die het beste plan verzon om meer allochtone bezoekers te trekken, kreeg een half miljoen euro. Het Van Abbemuseum won.

Het initiatief van de Mondriaan Stichting stuitte op veel kritiek. Museumdirecteuren vonden het onderwerp te serieus voor een ‘wedstrijdje’ en vonden het prijzengeld extreem hoog. Bovendien ergerden ze zich aan wat zij zagen als inmenging van de overheid in hun beleid. Het plan van het Fonds BKVB doet minder stof opwaaien, al ligt het prijzengeld hoger: maar liefst 750.000 euro. Directeur Lex ter Braak van het Fonds BVKB: „Ik denk dat de Mondriaan Stichting de weg voor ons heeft geëffend.” Al benadrukt hij een groot verschil. „Bij de Mondriaan Stichting heerste het adagium: the winner takes it all. Bij De Droomintendant draait het om verschillende mensen en projecten. Tenslotte gaat het om culturele diversiteit.”

Over de kritiek van kunstenaars en directeuren, dat de overheidsfondsen hen met de multiculturele projecten in een bepaalde richting dwingen, zegt hij: „Zetten wij geld apart om digitale kunst te bevorderen, dan hoor je niemand. Maar ligt het onderwerp moeilijker, zoals bij culturele diversiteit, dan verschuilt men zich ineens achter de autonomie van de kunstenaar.”

Ter Braak wil niet generaliseren, maar kunstenaars en kunstinstellingen hebben zich de afgelopen jaren weinig aan de veranderende samenleving en haar problemen gelegen laten liggen. „Er zijn kunstenaars die zich verhouden tot de multiculturele samenleving, zoals Remy Jungerman. Maar over het algemeen is het maatschappelijk bewustzijn niet groot.”

Moeten overheidsfondsen dan wel zoveel geld aan culturele diversiteit uitgeven? „Dat de kunstwereld niet wil, is geen reden om het niet te doen.” Bovendien, zegt hij, soms moet je dóórduwen. Er spelen nog andere overwegingen. Zo moet De Droomintendant méér worden dan een eenmalig project – het vormt het begin van een andere formulering van het fondsbeleid, aldus Ter Braak. „In de kunst draait het om het begrip kwaliteit. Maar juist dat begrip legt beperkingen op aan het kunstaanbod.” Want wat is kwaliteit? Welk werk doet er toe? En wie bepaalt dat? „Men zegt niet voor niets: laat me je commissieleden zien en ik weet wat er wordt toegekend. Directeuren, commissieleden wortelen allemaal in hetzelfde idee over kunst en kwaliteit, zijn allemaal geschoold in hetzelfde kunsthistorisch besef.”

Dat leidt ertoe dat er binnen het officiële circuit weinig ruimte is voor andersdenkenden, voor andere kunstopvattingen uit andere delen van de wereld.

Dat geldt ook voor zijn eigen organisatie, het Fonds BKVB. „Het fonds is opgericht in de jaren tachtig, toen alles draaide om kwaliteit. Het is niet verkeerd om ruim twintig jaar later dat begrip tegen het licht te houden. Je moet je eigen positie in het geding durven brengen.”

De dertien kunstenaars die tezamen de uitverkoren zes plannen hebben ingediend, moeten dat zelfonderzoek in gang zetten. Daartoe maken ze onder andere een videodagboek, publicatie en tentoonstelling in Paramaribo (zoals Michael Tedja) en richten ze een denktank op zoals Ergün Erkoçu deed.

Wat de 47 plannen gemeen hadden, was dat de indieners een passie voor culturele diversiteit aan de dag legden, zegt Ter Braak, maar ook dat ze hun inspiratie vooral in hun eigen cultuur zoeken. „Het besef dat kunstenaars aansluiting moeten zoeken bij internationale netwerken, ontbreekt.”

In de helft van de gekozen projecten komt dat internationale aspect wel naar voren; daar worden tentoonstellingen georganiseerd in Iran, Suriname, Indonesië. „Zo kan een kunstenaar ook inzicht geven in wat het betekent om hier als vreemde te zijn. De basis van kunst is tenslotte je eigen ziel bloot te leggen.”