In China is het geloof aan winnende hand

Eenderde van alle Chinezen van 16 jaar en ouder beschouwt zichzelf als gelovig. Dat komt neer op ongeveer 300 miljoen gelovigen in het communistische land (1,3 miljard inwoners), drie keer meer dan de officiële cijfers tot dusver aangaven.

Dat nieuws komt uit onverdachte bron: China Daily. Volgens het door de overheid gecontroleerde dagblad blijkt uit een steekproef dat 31,4 procent van alle 16-jarigen en ouderen zegt ‘religieus’ te zijn. De onderzoekers, twee hoogleraren uit Shanghai, ondervroegen 4.500 mensen. Overigens gaan onofficiële schattingen uit van nog meer gelovigen dan de genoemde 300 miljoen.

Tot voor kort zou het nieuws over groeiende gelovigheid niet worden rondgebazuind in China. Maar de communistische partij beschouwt godsdienst niet langer uitsluitend als opium voor het volk, maar ook als potentieel hulpmiddel om onlustgevoelens te kanaliseren. Vooral op het platteland is de steeds groter wordende armoedekloof zichtbaar, en de communistische leiders hameren in toespraken op het cruciale belang de welvaartsachterstand in te halen. Ze verspreiden het mantra van het creëren van „een harmonieuze samenleving”, en als religieuze beleving daarbij een rol kan spelen, bestaat daar geen bezwaar tegen.

Overigens moet tolerantie jegens geloof niet worden verward met geloofsvrijheid. Er mogen vijf godsdiensten worden beleden, mits dat gebeurt binnen ‘vaderlandslievende’ kerkgenootschappen en andere instellingen onder scherpe controle van de staat. Wie zich daaraan onttrekt, kan rekenen op zware vervolging, inclusief langdurige gevangenisstraf.

De vijf toegestane godsdiensten en volksgeloven zijn: taoïsme, boeddhisme, islam, protestantisme en rooms-katholicisme.

Volgens het onderzoek uit Shanghai neemt het aantal christenen snel toe, maar zijn boeddhisten en taoïsten met 200 miljoen nog veruit in de meerderheid.