Ik is uit, wij zijn in

Het moet afgelopen zijn met een samenleving waarin burgers als los zand naast elkaar leven.

Gemeenschapszin is het nieuwe credo. En de PvdA kan daar heel goed mee leven.

Een poster van de actie ‘Gezinsherstel brengt Volksherstel’, van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Foto Collectie Spaarnestad Spaarnestad

Nederland lijkt op slag veranderd. Afgaande op het halve regeerakkoord dat maandag uitlekte, kiest een volgend kabinet onder leiding van de christen-democratische minister-president Jan Peter Balkenende opnieuw een wezenlijk andere aanpak. Kernwoorden: zekerheid, rust en groei.

De eerste jaren van premier Balkenende waren vooral gericht op hervormingen. De gezondheidszorg moest anders. De uitkeringen ook. Het ging om gigantische wettelijke en organisatorische operaties, waarvan miljoenen burgers de gevolgen ondervonden.

Het waren ook jaren van snoeiharde maatregelen, bijvoorbeeld tegen immigranten. Van financiële krapte en sombere toekomstverwachtingen als gevolg van het spook van de vergrijzing. Jaren van confrontatie met organisaties van werkgevers en werknemers.

Nederland was gedurende de laatste, hedonistische jaren van de ‘paarse’ coalitie van PvdA, VVD en D66 verwend met cabrio’s en dakkapellen. Balkenende presenteerde de rekening. Er was op te grote voet geleefd, zei hij. Nederland gedroeg zich als de krekel die niet zorgt voor slechte tijden. Nederlanders moesten meer mier worden.

En het mierenzuur doordesemde de samenleving. Er waren woedende debatten over de buitenlandse migranten en hun nageslacht. Afgunst over de zelfverrijking van sommigen, chagrijn bij velen die de eindjes aan elkaar moesten knopen. Dát was Nederland onder de eerste Balkenende-jaren.

De plannen die Balkenende samen met Wouter Bos (PvdA) en André Rouvoet (ChristenUnie) voor de komende vier jaar heeft gemaakt, zien er een stuk ontspannener uit.

Om te beginnen is er ineens geld. Door de voorspoedige economische ontwikkeling, maar ook gewoon omdat de drie politieke leiders de bakens hebben verzet. In de technische taal van het ministerie van Financiën wordt gezegd dat het ‘behoedzame scenario’ is vervangen door het ‘realistisch scenario’.

Dat wil zeggen dat bij het berekenen van het beschikbare budget wordt uitgegaan van een hogere economische groei. Met als gevolg dat CDA, PvdA en ChristenUnie per jaar ineens zo’n twee miljard meer te besteden hebben. Dus niet langer is er sprake van schrapen, afromen, bezuinigen. Nee, Balkenende, Bos en Rouvoet gaan ‘investeren’.

Daarvoor is een ‘investeringsagenda’ opgesteld. Het geld gaat naar het milieu en naar het onderwijs, ten behoeve van innovatie en economie. Maar het meeste geld gaat naar de oude wijken in de grote steden waar problemen van slechte huizen, ongeschooldheid, criminaliteit en eenzijdige bevolkingssamenstelling zich opstapelen. ‘Sociale Samenhang’, dat is waar de drie partijen naar streven.

CDA en PvdA pakken hier de draad op van een karwei op dat zij in het vorige kabinet waarin zij samenwerkten, Lubbers/Kok (1989-1994), hadden achtergelaten. Toen heette het project ‘Sociale Vernieuwing’. En net als toen streeft het volgende kabinet ernaar de problemen integraal te gaan aanpakken, met op rijksniveau een ‘samenhangende interdepartementale benadering’. Of het ditmaal een succes wordt, staat nog te bezien: de Sociale Vernieuwing liep vast door stammenstrijd tussen de ministeries.

Eén ding is daarbij wel zeker: het nieuwe kabinet zal uitgaan van een fundamenteel andere visie op mens en maatschappij dan de kabinetten waarvan de VVD deel uitmaakte. Kort gezegd komt die erop neer dat de samenleving niet langer wordt gedefinieerd als een verzameling individuen. Burgers zijn altijd onderdeel van een groep. Voorop daarbij staat het gezin. Dan de straat, de wijk, het dorp, de voetbalclub, de maatschappelijke onderneming of, desnoods, de criminele organisatie. En op die groepen richt zich het beleid.

Ik is uit. Wij is in. Samenleven en gemeenschapszin met gedeelde waarden en normen – daar draait het om. Zo is maatschappelijke integratie „niet alleen een kwestie van individuen die hun plaats vinden in het maatschappelijk bestel”.

CDA en ChristenUnie drukken hun traditioneel-conservatieve stempel op de plannen waarin het gezin weer de hoeksteen van de samenleving is. Al het goede komt voort uit die samenlevingsvorm: „In het gezin worden kinderen opgevoed, wordt geborgenheid geboden en worden essentiële waarden en normen voorgeleefd en overgedragen aan volgende generaties.”

Dat dit een ideologische uitspraak is, blijkt wel uit het feit dat het regeerakkoord onderkent dat gezinnen niet altijd deze paradijselijke functie vervullen. Er komen Centra voor Jeugd en Gezin die „met kracht” de „ondersteuning” van gezinnen waar het mis gaat „ter hand nemen”. Als het moet „verplicht”. Ook zullen probleemgezinnen sneller onder staatstoezicht komen.

De opdringerige rol van Vader Staat keert vaker terug in de afspraken. Zo wordt er gedreigd met maatregelen tegen buitensporige salarissen van topbestuurders. En de inkomens van bestuurders in de publieke of semi-publieke sfeer worden aan banden gelegd: zij mogen niet meer verdienen dan de minister-president. Met dien verstande dat diens inkomen wordt verhoogd, dat wel.

Een ander voorbeeld van staatsingrijpen levert het beleid op het terrein van de woningbouw. Geheel volgens de christen-democratische gedachte van de ‘subsidiariteit’ ofwel de ‘soevereiniteit in eigen kring’, krijgen de woningbouwcorporaties het verzoek hun reserves te gebruiken voor nieuwbouw. Doen zij dat niet, dan zal „anderszins het omvangrijke maatschappelijke vermogen van woningcorporaties actief voor dit doel worden ingezet”. En als randgemeenten „onverhoopt onwillig zijn” om te bouwen voor lagere en middeninkomens, zal het rijk een speciale ‘aanwijzingsbevoegdheid’ krijgen om hen te dwingen tot medewerking.

De wens van de nieuwe coalitie om bijvoorbeeld een ‘handvest voor verantwoordelijk burgerschap’ te ontwikkelen, of om ‘kordaat’ op te treden volgens het ‘doe normaal-model’, komt niet alléén uit de koker van de christelijke partijen. Ook de sociaal-democraten zijn voor normatief optreden door de staat.

Toenmalig PvdA-premier Wim Kok pleitte in 1994 ook al voor een ‘normstellende overheid’. Tegen NRC Handelsblad zei hij in november dat jaar bijvoorbeeld: „Ik vind dat een normstellende overheid nodig is in een tijd die de sporen draagt van vervlakking en normloosheid; dat leidt zelden tot iets goeds.” Ook was hij tegenstander van „een samenleving die atomiseert, waar burgers als los zand naast elkaar leven.”

Het verschil met toen is dat nu de ChristenUnie deel zal uitmaken van de coalitie. En, zoals al eerder het geval was met D66 en LPF, is de invloed van de kleinste partij onevenredig groot. Zeker, de partij van André Rouvoet draait de wetten op het terrein van abortus en euthanasie niet terug. Maar er komt geld om palliatieve zorg te verbeteren en te versterken, als alternatief voor de zelfgekozen dood. En als het om abortus gaat, komen er nieuwe initiatieven om die praktijk met „positieve maatregelen” terug te dringen. De gezinsideologie zal worden bewaakt door een minister van de ChristenUnie, mogelijk zal dat Rouvoet zelf zijn. Hij kan dan bijvoorbeeld ook een oog houden op het stimuleren van een „gedragscode voor veilig media-aanbod” voor kinderen.

In het Nederland van Balkenende, Bos en Rouvoet gaan deze kinderen, die voor negen uur ’s avonds geen alcoholreclame op televisie zullen zien, straks na een dag van arbeid en zorg, werken en opvoeden, trots en gevuld met gemeenschapsgevoel aan ‘volkscultuur’ doen. Of naar rookvrije horecagelegenheden in hun door de woningbouwvereniging gefinancierde nieuwbouwwijk, waar zij met elkaar spreken over de grondrechten van het ongeboren leven.