Fatalisme van Guineeërs heeft grens bereikt

Bij betogingen in Guinee tegen de president vielen vorige maand zeker zestig doden. De vakbonden dreigen met nieuw protest als de president niet gauw een premier benoemt.

Een Guineeër doet de was met de hand in een vissersdorpje nabij de hoofdstad Conakry. Complete wijken van Conakry hebben al jaren geen stromend water of elektriciteit. (Foto AP) A man does his washing at a local fishing village at Conakry, Guinea, Friday, Jan. 26, 2007. Entire neighborhoods in the capital haven't had electricity or running water for years. The central bank is in such bad shape it sometimes turns to black market money changers to replenish hard currency reserves. Doctors joke the best medicine for the ailing is Air France _ a plane-ride out of the country. (AP Photo/Schalk van Zuydam) Associated Press

Tien jaar geleden at de familie Diallo drie keer per dag, in plaats van één keer, zoals nu. Zes jaar geleden gaf de koelkast definitief de geest. Vier jaar geleden verkocht meneer Diallo, die meubelmaker is, zijn laatste bankstel. Drie jaar geleden hield de kraan ermee op. Tegenwoordig hebben de Diallo’s bijna altijd honger, maar dat is voor hen zo normaal dat ze er niet eens over praten. De buren en de overburen hebben namelijk óók altijd honger.

De weg naar het huis van de Diallo’s is een met ruwe keien bezaaid pad waar verroeste stadstaxi’s overheen hobbelen. Het vallen van de avond hult de wijk in duisternis. Hier heeft niemand geld voor een generator. De meubelmaker zit met zijn magere benen over elkaar gevouwen voor de woning die hij bouwde toen hij nog gemiddeld vijf bankstellen per maand verkocht. Meneer Diallo spreekt alleen de taal van zijn stam, Peul. „Ik ben nooit naar school geweest”, zegt hij. „Juist daarom ken ik het belang van een opleiding.”

Mamadou Diallo heeft zeven kinderen. Hij heeft ze allemaal naar school gestuurd. De middelste zoon, Oury, zou dit jaar eindexamen doen. Oury werd twee weken geleden doodgeschoten, ’s ochtends vroeg, terwijl hij onderweg was naar een demonstratie in het centrum van de stad. „Ik troost mezelf met de gedachte dat hij is gestorven voor een goede zaak”, zegt zijn vader. „Ik had hem niet tegen kunnen houden. Hij wilde verandering.”

Het fatalisme van de Guineeërs lijkt een grens te hebben bereikt. Na jaren van lijdzaam toezien hoe het leven steeds duurder en de regering steeds stuurlozer werd, kwamen de Guineeërs vorige maand massaal op de been om het vertrek van president Lansana Conté te eisen. Op dat moment was een algemene staking aan de gang uit protest tegen corruptie en hoge voedselprijzen. Aan de oproep tot de staking, de derde sinds maart vorig jaar, werd in het hele land gehoor gegeven. De betoging van 22 januari werd echter hardhandig neergeslagen. De presidentiële garde en de politie schoten met scherp, mikkend op hoofden en buiken. Er vielen minstens zestig doden. Foto’s van de doden en gewonden circuleren op internet.

„Het scheelde maar heel weinig of we hadden een volksopstand gehad”, zegt een waarnemer. „Nog zo’n demonstratie en het regime zal het niet overleven.” De protestmars markeert een ommekeer. Het was de eerste grote demonstratie ooit in een land waar openlijk verzet tegen de leider tot nu toe ongekend was. Onder de eerste president, Sékou Touré, verdwenen tienduizenden mensen onopgemerkt in martelkampen. De tweede president, Conté, is beduidend minder wreed, maar net zo autoritair als zijn voorganger. De almachtige generaal wil tot zijn dood in het zadel blijven. Volgens zijn tegenstanders maken zijn leeftijd (73) en ziekte (diabetes) hem ongeschikt om verder te regeren. De spanning liep zo hoog op dat Conté tegemoet kwam aan de eisen van de vakbonden. Conté beloofde een neutrale premier aan te stellen die volledige zeggenschap krijgt over de regering.

De vakbonden dreigen de staking te hervatten als dat niet voor maandag gebeurt. Intussen slaagt de bevolking er amper in het hoofd boven water te houden. Door de inflatie – vorig jaar bijna 30 procent – is de koopkracht tot een dieptepunt gedaald. Daags voor de staking kostte een zak rijst vijftien euro, ongeveer net zo veel als wat een ambtenaar, een verpleger of een onderwijzer per maand verdient.

Zelfs nu de prijs dankzij de vakbonden is bijgesteld tot tien euro, kunnen de meeste mensen dat niet betalen. De werkloosheid wordt geschat op 70 tot 80 procent. Schoolkinderen maken ’s avonds hun huiswerk bij benzinestations, want alleen die hebben nog stroom. In het grootste ziekenhuis van de stad liggen de patiënten op gescheurde schuimrubberen matrassen onder fittingen zonder peertjes. Overal op de zalen zitten of liggen familieleden die niet genoeg geld hebben om een paar keer per dag heen en weer te reizen. Tsja, vroeger verstrekte het ziekenhuis zelf maaltijden aan de patiënten, zegt chirurg Biro Diallo (geen familie, Diallo is een veelvoorkomende achternaam) met een weemoedige zucht. Maar die tijd is al lang voorbij. „De zieke moet zelf zijn eten regelen en medicijnen kopen. Dat levert soms problemen op met de hygiëne. Het personeel is niet gemotiveerd, want ze komen nauwelijks rond van hun salaris. En we hebben twee generatoren, maar vaak geen geld voor brandstof.” Een paniekerige verpleger komt aankondigen dat de sleutel van de operatiekamer kwijt is. Een spoedgeval ligt op een krakende brancard in de gang. „We hebben hier niets, niets, niets”, zegt Diallo ten afscheid.

Met hun aanklacht tegen de verpaupering hebben de vakbonden alle lagen van de bevolking achter zich gekregen, inclusief de oppositiepartijen. De charismatische vakbondleidster Rabiatou Serah Diallo (evenmin familie) is een van de aanvoerders van het verzet. „Wij hebben gezegd wat niemand hardop durfde te zeggen”, zegt ze in de lobby van een hotel tussen twee vergaderingen door. „De Guineeërs durven eindelijk voor zichzelf op te komen. Ze zijn zich ervan bewust geworden dat ze bepaalde rechten hebben. Dat is de essentie van wat er nu gebeurt.” Een man van middelbare leeftijd komt glunderend op haar af. „Mevrouw Diallo, in eigen persoon”, zegt hij vol ontzag. „U moet weten, wij steunen u allemaal.”