...en het individu

‘Samen leven, samen werken’ is het motto van de nieuwe coalitie tussen CDA, PvdA en ChristenUnie. Nu zullen weinigen voorstander zijn van een samenleving die atomiseert, waar burgers als los zand naast elkaar leven. Zo verwoordde toenmalig premier Kok (PvdA) het al in 1994 aan het begin van het eerste paarse kabinet. Maar de visie op mens en maatschappij zoals die spreekt uit het regeerakkoord tussen CDA, PvdA en CU, kiest voor het andere uiterste. De burger wordt door het nieuwe kabinet louter gedefinieerd als lid van een groep of gezin.

Daarmee is de eerdere erkenning van minder traditionele leefvormen verlaten. Hier is het conservatieve stempel dat CDA en CU drukken op de maatschappijvisie van het nieuwe kabinet leidend. Het klassieke gezin wordt voorgesteld als de samenlevingsvorm waaruit al het goede voortkomt. „In het gezin worden kinderen opgevoed, wordt geborgenheid geboden, en worden essentiële waarden en normen voorgeleefd en overgedragen aan volgende generaties.”

Dat dit een ideologische uitspraak is, blijkt wel uit het feit dat het regeerakkoord gelijktijdig onderkent dat gezinnen niet altijd een paradijselijke omgeving zijn. Daarom komen er Centra voor Jeugd en Gezin die „met kracht” de „ondersteuning” van gezinnen waar het mis gaat „ter hand nemen”. Als het moet, gebeurt dit „verplicht”. De PvdA, die zich graag ziet als progressieve partij, heeft hier het onderspit gedolven. Het is ronduit zorgwekkend dat de nieuwe coalitie afscheid neemt van het liberale beginsel dat het individu startpunt en eindpunt moet zijn van overheidshandelen.

De overheid wordt in het regeerakkoord voorgesteld als een grote broer die zorgt voor houvast, geborgenheid en een herkenbare eigen identiteit. Achter deze vriendelijke voorstelling van zaken gaat, zoals VVD-leider Rutte zei een reactie, veel staatspaternalisme schuil. De prijs die gezinnen, scholen, corporaties en andere groepen betalen voor de „ondersteuning” die de staat gaat bieden is voortschrijdende betutteling en dwang, als de hulp niet in dank wordt aanvaard.

De invloed van de CU doet zich bijvoorbeeld gelden op het vlak van medisch-ethische kwesties. De vaak orthodox-christelijke achterban van deze kleinste coalitiepartij is mordicus tegen zaken als euthanasie en abortus. De bestaande wetgeving zal dan wel niet worden teruggedraaid, maar de overheid gaat zich wel meer met de bestaande praktijk bemoeien. Als alternatief voor de zelfgekozen dood komt er geld om de palliatieve zorg te verbeteren. En op het terrein van abortus komen nieuwe initiatieven om die praktijk met „positieve maatregelen” terug te dringen. Daarnaast worden eerdere discussies over de mogelijke afschaffing van het bijzonder onderwijs beëindigd door de ferme vaststelling dat „scholen recht hebben op bescherming van hun grondslag en traditie”. En op het terrein van de media zal de overheid stimuleren dat er een gedragscode komt voor zogenoemd „veilig media-aanbod”.

Voor partijen die het individu centraal stellen, die tegen de betutteling zijn van de burger door de overheid en die staan voor een minder opdringerige rol van Vader Staat, is een wereld te winnen.