Boijmans toont zijn schatten zonder allure

2007P 0031 Goedewaagen, Bob

Museum Boijmans Van Beuningen: De collectie Eén. Museumpark 18-20, Rotterdam. Tot eind 2008. Di–zo 11-17 uur. www.boijmans.nl

De vernieuwde opstelling van de vaste collectie van Museum Boijmans Van Beuningen is getiteld De Collectie Eén. Het is de eerste semi-permanente opstelling van Sjarel Ex sinds zijn aantreden als directeur. De Collectie Eén is te zien in het gebouw van architect A. van der Steur (1935), dat gerestaureerd werd en waarvan ook de oorspronkelijke ingang in ere is hersteld. De opstelling is chronologisch van opzet, waarbij schilder- en beeldhouwkunst, kunstnijverheid en design naast elkaar worden getoond. In het fraaie zalenparcours op de begane grond, met zijn natuurstenen vloeren en ramen op de binnentuin, is kunst vanaf 1950 tot heden tentoongesteld. Op de bovenverdieping, in enkele grotere zalen en in een lange reeks kleine kabinetten, hangt schilderkunst vanaf de vroege middeleeuwen tot en met het Surrealisme.

Boijmans bezit belangrijke verzamelingen met hoogtepunten op velerlei gebied, van Bosch en Rubens tot Picabia en Beuys. Internationaal vermaard is ook de schitterende collectie prenten en tekeningen. Aan de basisvoorwaarden voor een museuminrichting met allure, een goed gebouw en een goede collectie, is dus voldaan. Helaas is bij deze nieuwe inrichting van allure geen sprake. Er hangt veel te veel en te dicht op elkaar. Ook is de zaalindeling saai en voorspelbaar. Interieurs, Portretten, Landschappen, Gouden Eeuw, Impressionisme, Surrealisme, plichtmatiger kan het niet.

Er zijn een paar mooie momenten. De installatie van Jorge Pardo, met tafel, stoelen en lampen, doet het goed in een hoekzaal. De recente muurschildering van Urs Fischer, waarbij de witte verf op de muren in klodders en quasi-expressieve vegen overgaat in de donkerbruine vloer, is van een vergelijkbaar soort ironie en directheid als de Pop Art van Oldenburg en Lichtenstein. Maar in combinatie met Cobra-schilderijen, in de zaal ernaast, werkt dezelfde ingreep van Fischer juist helemaal niet. Echt expressionisme en postmodern pseudo-expressionisme gaan niet samen.

Maarten Spruyt, stilist en vormgever, is verantwoordelijk voor de inrichting en koos de werken samen met conservatoren. Het moet Spruyts idee zijn om een aantal 17de eeuwse portretten, waaronder Titus van Rembrandt en het zelfportret van Carel Fabritius, zodanig op te hangen dat alle ogen op dezelfde hoogte zijn. Daardoor dwarrelen de schilderijen, die van verschillend formaat zijn, over de wand. En je kijkt niet naar schilderijen, maar naar jezelf, gespiegeld in de ogen van de geportretteerden. Het is op deze manier onmogelijk om het schilderij als object, als kunstwerk, te bekijken.

Hetzelfde foefje is toegepast bij de landschappen van Van Ruisdael, Koninck en Van Goyen. De horizonnen zijn op één lijn gehangen, als een nep-installatie van een hedendaagse kunstenaar. De landschappen vormen nu een soort panorama, waardoor het ook hier onmogelijk is om de schilderijen als afzonderlijke werken te bekijken.

Het geldt in feite voor de hele opstelling: nergens blijkt liefde of begrip voor de zeggingskracht van een afzonderlijk werk. Evenmin is er een besef van hoe werken elkaars aanwezigheid kunnen versterken. Men is met de collectie omgegaan alsof het een postzegelverzameling is: kleur bij kleur, plaatje bij plaatje. Hier is iemand met kunst aan de slag gegaan zonder er enige affiniteit mee te hebben. Dat geldt ook voor de moderne kunst. De combinatie van Miró’s, sculptuur Monsieur et Madame met twee schilderijen van Picabia is dodelijk. De schilderijen, ieder op zichzelf een meesterwerk, slaan elkaar volkomen dood.

Terwijl de inrichters er hun best hebben gedaan om kunstwerken van hun zeggingskracht te beroven, gebeurt bij het project van beeldend kunstenaar Marieke van Diemen precies het tegenovergestelde. Zij maakte een opstelling van honderden keramische vazen, sinds 1930 in Duitsland vervaardigd, die ieder afzonderlijk niet bijzonder interessant zijn. Het zijn grove vazen met richels en bobbels, monochroom groen, bruin, rood en oranje geglazuurd. Ze waren ooit, in de jaren vijftig, in de mode, werden daarna verschrikkelijk lelijk gevonden, en zijn nu een curiositeit. Van Diemen ordende de vazen op kleur en vorm en zette er stellingkasten en vitrines vol mee. Dit labyrinth van vazen is een feest voor het oog, en zegt tegelijkertijd iets over de gekte van het verzamelen. Een beeldend kunstenaar heeft hier iets prachtigs gedaan met toegepaste kunst, terwijl de vormgever niets begrijpt van beeldende kunst.