Al@din geeft antwoorden op maat

Een landelijk netwerk van bibliothecarissen beantwoordde vorig jaar ruim 120.000 vragen op al@din. Critici zijn ontevreden over de lange wachttijd van de vraagbaak.

De slechtvalk is het snelste dier op aarde. De roofvogel kan snelheden van 180 kilometer per uur halen. Koopwoede of dwangmatig winkelen is een psychische ziekte, veroorzaakt door een tekort aan de chemische stof serotonine in de hersenen.

Het zijn wat wetenswaardigheden die iedereen kan vinden op internet. Iedereen? Nou ja, degenen die goed kunnen zoeken en kunnen inschatten of de bron betrouwbaar is. Laten we eerlijk zijn: dat valt niet mee. Wie googlet op ‘regenwoud’, vindt bijvoorbeeld ruim een half miljoen treffers. Het is naïef om te denken dat dat allemaal goede informatie is.

Google is de TomTom van internet; het helpt je meestal je virtuele bestemming te bereiken. Toch heeft de kunstmatige zoekintelligentie beperkingen. De zoekmachine vindt niet alles en rangschikt vooral op populariteit (hoe meer links naar een website, hoe hoger getoond). Ook weet Google niet of de informatie op de websites betrouwbaar is op de sites waarnaar wordt doorverwezen.

De landelijke bibliotheken hebben sinds 2003 hun eigen weborakel: al@din. Het aantal bezoekers van de gratis online vraagbaak van de Vereniging van Openbare Bibliotheken is sinds de start in 2003 gestaag gegroeid, al stagneerde het gebruik vorig jaar. Al@din wordt vooral door tieners bezocht, maar steeds meer twintigers en dertigers maken er gebruik van, meldt de bibliotheek. In 2006 zijn er ruim 720.000 bezoekers geweest en er werden 120.000 nieuwe vragen gesteld.

De online vraagbaak bestaat uit een kennisbank en de mogelijkheid de vraag te laten beantwoorden door een van de duizend bibliothecarissen die achter al@din schuilgaan. Vragen waarop de bibliothecarissen het antwoord schuldig moeten blijven, worden doorgestuurd naar experts van bijvoorbeeld Naturalis, het Nederlands Theater Instituut en het NOC*NSF. Binnen vijf dagen komt per e-mail het antwoord.

De online vraagbaak is niet zo snel en sexy als Google en niet zo volledig als Wikipedia. Toch heeft al@din bestaansrecht naast de populaire zoekmachine en online encyclopedie, vindt Karlijn van der Lelij, al@din-woordvoerder van de Vereniging van Openbare Bibliotheken. „Al@din is een aanvulling op Google en Wikipedia. Het is een hulpmiddel bij het zoeken van moeilijk vindbare informatie. Het is een uitkomst voor mensen die minder goed de weg weten op internet. Google mag dan meer antwoorden geven – als je het al antwoorden mag noemen – , de antwoorden van al@din zijn van hogere kwaliteit. Het zijn antwoorden op maat en gegarandeerd betrouwbaar.”

Dat komt door de deskundigheid van de al@din-medewerkers, zegt Van der Lelij Maar Henk van Ess, internetzoekdeskundige en eigenaar van de website Voelspriet.nl, is niet onder de indruk. Van de dertig vragen die hij de afgelopen jaren stelde, werden er volgens hem maar tien ‘vakkundig en ter zake’ beantwoord. En ook de lange wachttijd werkt in het nadeel van al@din.

„Dat is voor een consument onaanvaardbaar”, vindt Van Ess. „Die wil direct resultaten zien. Vanochtend wil hij weten wat de beste stormbestendige auto is, ’s middags wat een goede cv is en ’s avonds wil hij weten hoe een elektrisch bed werkt. Ik vrees dat veel werk van al@din voor niets is en de consument ondertussen elders sneller het antwoord probeert te vinden.”

Dat realiseert de bieb zich ook. Daarom wordt msn’en met al@din waarschijnlijk dit jaar landelijk mogelijk, zegt Van der Lelij. De Zeeuwse Bibliotheek in Middelburg heeft alvast een aantal chatmiddagen ingelast. Een van de Zeeuwse al@din-medewerkers, Edwin Mijnsbergen, die ook betrokken is bij het landelijke overleg,

zou het liefst nog verder gaan; het zou mogelijk moeten zijn dat bezoekers zelf ook vragen kunnen beantwoorden en elkaars antwoorden kunnen beoordelen. Een soort al@din-community. „Ik denk dat een open systeem, zoals Yahoo Answers meer succes heeft. Er worden miljoenen vragen op die website gesteld. De gebruikers dus laten participeren, actief betrekken en als specialist op de achtergrond meehelpen.”