WMO: nieuwe kans voor de kerken

Vrijwilligers van kerken in Nederland helpen de WMO, de Wet maatschappelijke ondersteuning, vorm te geven. Als het maar niet leidt tot bezuinigingen.

„In 2005 kwamen in Enter enkele gezinnen in problemen door ziekte en ziekenhuisopname. Wij hadden het gevoel dat we voor hen iets moesten doen, zeker als mensen geen beroep konden doen op de professionele thuiszorg of op mantelzorg. Onze predikant was direct enthousiast voor dat idee”, vertelt ergotherapeute Anja Scholten (42), die aan de wieg stond van het kerkelijk initiatief. „Een folder leverde in september 2006 in totaal 35 vrijwilligers op, die zich bereid verklaarden van alles te doen.”

Het kerkelijke hulpwerk in Enter is organisatorisch ondergebracht bij de afdeling Enter-Wierden van de NPV (Nederlandse Patiënten Vereniging) een christelijke organisatie voor vrijwillige thuishulp. Dat betekent dat de kerkelijke vrijwilligers nu beschikbaar zijn voor de hele bevolking van Enter, ongeacht levensovertuiging.

Voor de in 1990 opgerichte NPV-afdeling, die een vergrijsd vrijwilligersbestand had, betekende de samenwerking een krachtige impuls. „We beginnen nu echt bekend te worden”, zegt Geertje van Blijderveen (44), plaatselijke NPV-coördinator voor vrijwillige thuishulp. „De afgelopen maand kregen we er zeven hulpaanvragen bij. Dat is een record. Het gaat om de meest uiteenlopen zaken, zoals een avond oppassen bij een dementerende man, een warme maaltijd bereiden in een gezin waar de vrouw ziek is of boodschappen doen met een alleenstaande oudere die niet meer zelfstandig naar buiten kan.”

De vrijwillige thuishulp in Enter is een van de manieren waarop kerken hun gezicht aan de samenleving laten zien. In tal van plaatsen organiseren ze buurtwerk, klusjesdiensten, voedselbanken, opvang van dak- en thuislozen, begeleiding bij het invullen van zorgaanvraagformulieren en zelfs terminale thuishulp. De WMO voorziet in financiële ondersteuning van dergelijke activiteiten, zoals de bekostiging van training van vrijwilligers – de zogeheten deskundigheidsbevordering. Staatssecretaris Clemence Ross-van Dorp (CDA) riep in oktober vorig jaar de kerken op zich actief op te stellen: „De tijd dat een kerk werd gezien als iets wat uitsterft, is echt voorbij. U moet zelfbewust naar gemeenten toestappen om te laten zien wat u te bieden heeft.”

Jan Stegeman (61) is in Enter het bestuurlijk hart van de plaatselijke NPV. Medio deze maand wordt hij officieel geïnstalleerd als lid van de door de nieuwe wet vereiste WMO-raad, die de gemeente gaat adviseren over de hulp die in het kader van de WMO wordt geboden. Stegeman: „De WMO-raad heeft hier het karakter van een cliëntenraad gekregen en gaat twaalf of dertien leden tellen: vertegenwoordigers van hulporganisaties, vrouwenverenigingen, gehandicapten etc., waardoor de hele burgerlijke gemeente erin vertegenwoordigd is.”

De gemeente Enter-Wierden heeft inmiddels ook het verplichte ene zorgloket, waar alle hulpvragen worden afgehandeld. „Eigenlijk hadden we al zo’n loket”, aldus Stegeman, „een meldpunt zorgvraag dat onder een zelfstandige stichting viel. De gemeente neemt dit meldpunt over. Het personeel gaat mee.”

Toch heeft Stegeman reserves bij de nieuwe aanpak: „Als de WMO een nieuwe bezuinigingsronde is, dan hebben we een probleem. Veel zorg moet je aan professionals overlaten. ”

Ook op het landelijk bureau van de NPV in Veenendaal staat men positief tegenover de WMO. Decentralisatie van de zorg betekent dat hulp kan vermaatschappelijken en een bredere basis krijgt. De wet biedt een praktisch kader om lokaal hulp goed op elkaar af te stemmen. Toch waarschuwt ook NPV voor een verschuiving van de professionele naar de vrijwillige thuiszorg. NPV-medewerker Henriëtte Schaapman (44): „Vaak is het grensgebied grijs en dat zorgt voor problemen. Onder onze vrijwilligers zitten veel oud-verpleegkundigen. Als we vrijwilligers trainen, dan waarschuwen we steeds dat men van de professionele zorg moet afblijven. Onze medewerkers mogen bijvoorbeeld geen medicijnen geven, zelfs geen aspirientje. We proberen ook de kerken die bij ons om advies aankloppen duidelijk te maken wat ze wel en wat ze niet kunnen. Vrijwilligers kunnen bijvoorbeeld best incidenteel voor vervoer zorgen, maar een kerk moet natuurlijk geen taxicentrale worden.”

Schaapman ziet de kerkelijke hulpverlening niet als middel tot herkerstening van Nederland: „Kerken willen zich naar buiten toe presenteren, ze laten zien dat ze er voor de hele samenleving zijn. De WMO is maatschappijbreed. Als kerken een beroep doen op de middelen in de WMO-pot moeten ze dus maatschappijbreed willen werken en niemand uitsluiten. Maar dat betekent wel dat je als kerkelijke vrijwilliger niet primair de taak hebt om te gaan evangeliseren. Als vrijwilligers dat toch doen, worden ze teruggehaald.”

In de brochure over de WMO van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) staat: „Deelname van de kerk in projecten die met de WMO te maken hebben, mag niet worden opgezet met de doelstelling om de eigen boodschap te verkopen en leden te werven.”

Ook Geertje van Blijderveen wijst haar vrijwilligers erop dat ze er zijn om praktische hulp te geven, niet om te evangeliseren. „Maar als mensen vragen naar je motief om te helpen, mag je natuurlijk wel antwoord geven.”