Verscheidenheid is hard nodig

Het komt er tegenwoordig op aan het onderwijs af te stemmen op individuele leerstijlen en vermogens. Een deel van kennis veroudert snel. Jongeren moeten daarom ook leren hoe zij informatie kunnen verwerven, verwerken en toepassen. Leerlingen anno 2007 zijn mondiger, sneller afgeleid, permanent ingelogd op een veelkleurig internet. Onderwijs moet spannend, contextrijk en afwisselend zijn. Anders vallen de aandacht en belangstelling weg en is schooluitval gegarandeerd.

Er zijn zinvolle vormen van het nieuwe leren denkbaar, maar de overheid dient zich ervan te onthouden dit type onderwijs aan scholen op te leggen. Zo werden in de jaren negentig het studiehuis en de basisvorming ingevoerd. Leerlingen in het voortgezet onderwijs moesten vooral zelf kennis verwerven. De inspectie volgde. Actief en op zelfstandige leerlingen gericht onderwijs werd meer en meer de norm.

De basisvorming bleek echter veel te theoretisch voor praktisch ingestelde jongeren en miskende pluriformiteit van leerlingen. Het zelfstandig leren is door velen ervaren als een aantasting van de professionaliteit van de leerkracht.

Zonder al te veel ophef en ideologisch debatteren heeft minister Van der Hoeven het studiehuis en de basisvorming afgeschaft en daarmee een belangrijk signaal gegeven: de didactiek, en daarmee de inrichting van het onderwijs, is een zaak van scholen. Scholen hebben meer ruimte gekregen om hun eigen stempel op het onderwijs te zetten.

Met name het vmbo heeft daarvan gebruikgemaakt. Het is contextrijker gaan werken. De banden met het bedrijfsleven zijn versterkt. De werkplek is in de school terechtgekomen. De onderwijspolitiek van de afgelopen jaren heeft dat terecht gehonoreerd.

Ondertussen zijn scholen, pedagogische centra, didactici, maar zeker ook de inspectie aan de slag gegaan met de concepten van zelfstandig leren, competentiegericht onderwijs en zelfwerkzaamheid. De inspectie beoordeelt scholen op grond van de vraag of zij voldoende werken aan het zelfstandig leren functioneren van leerlingen. Haar beoordelingsmaatstaven sturen scholen in een bepaalde richting. Dat kan en mag niet de bedoeling zijn. De inspectie moet beoordelen of scholen goed presteren. Als zij zich bemoeit met de pedagogische aanpak, dan ontstaan er ongelukken. De inspectie verliest kritische distantie en scholen voegen zich naar haar maatstaven.

Bovendien gaat heel veel overheidsgeld naar pedagogische centra die scholen in dezelfde richting sturen. Die centra werken aan het uitvoeren van het nieuwe leren, met op zijn minst een zweem van objectieve deskundigheid.

Het is deze quasi-vanzelfsprekendheid van de uitgestippelde marsroute waarop wij de vinger leggen. De koers van het onderwijs lijkt even onontkoombaar als de kenniseconomie en de opkomst van zelfstandige jongeren. Een onontkoombaarheid die met een mix van moderne didactiek en optimisme wordt begeleid en bezegeld. Leraren, ouders en leerlingen krijgen het gevoel dat het die kant op gaat en móét. Er lijkt geen ruimte voor alternatieven. En dat terwijl de vrijheid van onderwijs ruimte moet laten voor variatie en verscheidenheid, voor inspiratie en vernuft.

Het ‘zelfstandig leren’ is omstreden. Er is veel kritiek. Wie de belangstelling van de leerling als uitgangspunt neemt, vergeet dat het de bedoeling van onderwijs is om hun belevingswereld te verrijken. Het onderwijs moet uitdagen over de eigen grenzen heen te kijken, in plaats van de belangstelling van leerlingen te bevestigen. Wie de motivatie van leerlingen als een gegeven beschouwt, vergeet dat het verwerven van bestendige kennis discipline en volharding vergt. Veel leerlingen zijn er in de puberteit niet aan toe om zelfstandig te werken. In een kennissamenleving mag dan veel veranderen, de beginselen voor wiskunde, grammatica, natuurkunde, economie en zelfs de staatsinrichting doorstaan de tand des tijds. Alleen wie die fundamentele kennis eerst, met inspanning heeft verworven, is in staat creatief te zijn.

Juridisch gezien is er, zeker in het basis- en voortgezet onderwijs, ruimte voor een andere aanpak. Ook al maakt de optocht achter het nieuwe leren het wel moeilijk om uit de pas te lopen. Scholen met de gedisciplineerde, klassieke Belgische benadering kennen we in Nederland nauwelijks meer, terwijl veel ouders en leerlingen dat wel zouden willen. En als de verschillen van aanpak er in ons land wel zijn, hebben ouders en leerlingen er helemaal geen zicht op. Ouders komen er pas na verloop van tijd achter wat de aanpak van een school is en of die past bij hun wensen en bij hun kind.

Een land dat zich beroemt op de vrijheid van onderwijs moet blokkades voor verschillen in didactische aanpak wegnemen. Het is nodig om stichtingsnormen van scholen te verlagen en de fusiedrift tegen te gaan. Den Haag moet ophouden miljoenenverslindende subsidies aan pedagogische centra te verstrekken, die alleen een bepaald type onderwijskundige aanpak promoten. De inspectie moet terughoudend zijn met pedagogische aanbevelingen. De overheid moet zorgen voor goede en betrouwbare eindtoetsen. Prestaties moeten inzichtelijk zijn. Zodat mensen zelf een vinger aan de pols kunnen houden. Zorg ervoor dat inspectierapporten niet alleen openbaar zijn, maar ook dat scholen die actief bij ouders onder de aandacht brengen. Verplicht ze jaarlijks een avond te houden waar zij zich verantwoorden over de inspectierapportages en de resultaten.

Zorg ervoor dat scholen hun pedagogische concept glashelder maken aan ouders en leerlingen, zodat niemand door zelfstandig leren, competentiegericht onderwijs of juist een klassieke aanpak overvallen wordt. Maak het stichten van scholen met een eigen pedagogisch profiel beter mogelijk, zodat ouders die kiezen voor een Vlaamse aanpak niet de grens over hoeven en mensen niet meer uitwijken naar dure privéscholen.

Een nieuw kabinet zal daarom ook iets moeten doen om scheefgroei van management en werkvloer te vermijden, dan wel terug te draaien. Zonder sturing van bovenaf dreigt extra geld voor onderwijs terecht te komen bij de managers ten koste van de onderwijskundige voorzieningen, het verkleinen van klassen, het bijscholen van leraren en het ondersteunen van achtergestelde leerlingen.

Managers hebben geen kennis van het primaire onderwijs proces en sturen op afstand aan de hand van financiële criteria, die een pervers karakter hebben. De prikkel hoe meer geslaagden, hoe groter budget van de overheid, kan er snel op uitlopen dat de kwaliteit van het onderwijs wordt aangetast. Onderwijsgevenden komen daarbij regelrecht in gewetensnood. De bekostiging van het onderwijs dient daarom, zeker voor een deel, op een andere leest te worden geschoeid. Urgente maatregelen zijn voorts het herstellen van de universitaire lerarenopleiding, het betrekken van externe deskundigen bij eindexamens, het ontmoedigen van fusies van universiteiten en instellingen voor hoger beroepsonderwijs en het stellen van hogere eisen aan de docenten van de pabo’s op het gebied van taal, rekenen, geschiedenis en aardrijkskunde.

Arnold Heertje is emeritus hoogleraar economie. Ab Klink is directeur van het Wetenschappelijk Bureau van het CDA.