Leve de diversiteit in het onderwijs

In Opinie & Debat van 3 februari hekelt Ad Verbrugge de stand van zaken in het onderwijs.

Op een aantal fronten slaat hij de plank mis. Bijvoorbeeld als hij schrijft over ‘de verkapte introductie van het nieuwe leren in de tweede fase van het voortgezet onderwijs.....’ Ik heb de afgelopen twintig jaar met veel plezier in het voortgezet onderwijs gewerkt en geconstateerd dat de Tweede Fase, evenals de basisvorming, op de meeste scholen ‘beleidsarm’ is ingevoerd en dat van een ‘nieuwe didactiek’ geen sprake is. Er is een aantal nieuwe vakken geïntroduceerd, leerlingen maken tegenwoordig een Profielwerkstuk en Praktische opdrachten, maar leraren hebben nog steeds de mogelijkheid om hun lessen precies zo in te richten zoals zíj dat wensen. Een leraar die klassikaal een mooi en inspirerend verhaal wil vertellen, kan dat nog steeds doen en moet dat ook vooral blijven doen. Wel zien veel leraren zich genoodzaakt om meer activerende werkvormen te gebruiken en de leerlingen keuzes aan te bieden, omdat een groeiende groep leerlingen moeite heeft met 50, 60 of 70 minuten stilzitten en luisteren.

Dat het ‘nieuwe leren’ in vmbo en mbo een grote vlucht neemt, heeft dan ook vooral met de andere doelgroep te maken en de noodzaak om ook die kinderen onderwijs te bieden dat bij hen past en dat hen niet vroegtijdig demotiveert.

Er is op dit moment, in tegenstelling tot wat Verbrugge beweert, in het onderwijs juist meer ruimte voor diversiteit in benaderingen dan ooit en dat is maar goed ook. Een goede leraar, en van hen zijn er dagelijks duizenden werkzaam in het onderwijs, stemt zijn werkwijze af op de leerlingen die hij voor zich heeft. Dat betekent dat hij experimenteert met didactiek, fouten durft te maken, leerlingen motiveert en activeert, zijn opdrachten actueel en spannend houdt en vóór alles contact maakt met de kinderen.

Ik ben het met Beter Onderwijs Nederland (BON) eens dat er meer geld naar onderwijs moet, maar dan vooral om leraren de ruimte te geven om zich blijvend te ontwikkelen en om hun eigen onderwijs, samen met collega’s, te ontwerpen.

Daarnaast is het van groot belang dat de maximale klassengrootte wordt teruggebracht naar 24 leerlingen. Een havo-4 met 32 leerlingen is niet meer van deze tijd.

Ik heb, als generatiegenoot van Ad Verbrugge, het gymnasium doorlopen in de jaren ’70 en ’80. Wat ik me ervan kan herinneren is de saaiheid en de kleurloosheid van de meeste lessen. Ik heb uitstekend leren rekenen met sinus, cosinus en tangens. Waar je deze vaardigheid verder voor kon gebruiken dat wist ik niet, maar dat was ook niet van belang. Leer gewoon het trucje en zeur niet. Eén dag van tevoren flink stampen, de voldoende was binnen en de kennis binnen korte tijd weggezakt. Vaardigheden als samenwerken, debatteren, presenteren, onderzoek doen, werken met de computer kwamen volstrekt niet aan de orde.

Pim Visser is sectordirecteur havo/vwo in Bolsward.