Journalistiek voor burgers van één wereld

Journalistiek en burgerschap kunnen in het internettijdperk op vruchtbare wijze bij elkaar komen, betoogt Marc Chavannes.

Het AD plaatste vorige week op zijn website beelden van een door messteken verwonde jongeman. De kijker zag hem vallen en weer opstaan. Het tafereel was verder verraderlijk gewoon: twee mannen op een schuurtje, een vrouw bezig met de was in een Schevenings achtertuintje. Pascal Triep overleed buiten beeld. Van veel kanten klonk ontzetting, zoiets doet een fatsoenlijke krant niet. Is dit nieuwe journalistiek? De beelden zijn de afgelopen dagen op honderdduizenden computers bekeken. Als het filmpje niet op de krantensite was gepubliceerd, was het ook wel op videosites als Dumpert of YouTube terechtgekomen.

Er is niet alleen het nodige in de journalistiek veranderd, maar vooral ook daarbuiten. Voor mediabedrijven, journalisten én burgers geldt dat eenrichtingsverkeer niet langer de norm is.

De ‘oude media’ (kranten en omroepen) verliezen hun collectief alleenrecht op het onthullen van wat gisteren onbekend was. Zij zijn ook niet meer de belangrijkste brengers van amusement en reclame. Zelfs hun sociale functie wordt overgenomen door vriendschaps- en ontmoetingssites waarop de burger, desgewenst in cybervermomming, een tweede leven leidt.

Weinig ‘oude media’ hebben de bocht naar rendabele cyberjournalistiek soepel genomen. Uitgevers en redacties zoeken naarstig naar aangepaste formules, staand op hun krimpend grondgebied. De ontwikkeling van internetradio en -tv fragmenteert het aanbod zodanig dat financiering via de overheid van de publieke omroep in West-Europa steeds minder vanzelfsprekend wordt. Volgens The Economist kreeg de BBC onlangs zijn laatste licentie voor tien jaar.

In de Verenigde Staten hebben 24 uurs nieuws-tv-zenders zich binnen twintig jaar ontwikkeld van innovatieve nieuwsbronnen tot ‘infotainment’-kanalen, waar opinie als nieuws wordt aangeboden. Fox News heeft daarin de weg gewezen. De klassieke tv-nieuwsvoorziening is zo gemarginaliseerd dat het soms lijkt of de satirische nieuwsprogramma’s van Jon Stewart en Stephen Colbert op kabelstation Comedy Central het meest relevante politieke nieuws brengen. Zij doen dat onder de banier fake news that delivers the truth, nepnieuws dat de waarheid brengt.

Het Amerikaanse journalistieke ideaal van scheiding van feiten en opinies is van tijdelijke aard geweest, met een hoogtepunt na de Tweede Wereldoorlog. Tegenwoordig bewonen verschillende groepen in de VS aparte waarheden vrijwel zonder raakvlak. De machtigste democratie op aarde beleeft langs elektronische weg een scheiding van informatieverkeer die elementen van verzuiling in zich draagt.

In ons deel van de wereld staat de serieuze journalistiek ook onder druk, vooral op radio en tv. Publieke omroepen worstelen met een duivels dilemma: moeten zij zich steeds meer gelegen laten liggen aan kijkcijfers, de voertaal van de commerciële zenders, of zich schikken in een informatief-vormende rol voor slinkende publieksgroepen. Ondanks de kijkcijferopleving van Nederland 1 na de nieuwe zenderindeling, zie ik op termijn geen andere begaanbare weg dan concentratie op de publieke rol.

In een commercieel en technologisch gefragmenteerd omroepspectrum boeten publieke omroepen aan onmisbaarheid in, welke koers zij ook kiezen. Maar de publieke ruimte kan deze dragers van het democratisch debat slecht missen.

Het verbaast dat men in de Nederlandse omroepdiscussie zo vaak de BBC als voorbeeld neemt en zich weinig laat inspireren door Amerika’s National Public Radio en Public Broadcasting Service. Die worden letterlijk door het publiek in de lucht gehouden, op lokaal niveau. Zij bedrijven voor een toegewijd publiek omroepjournalistiek die de toekomst heeft.

Nederlandse en andere Europese kranten kunnen er niet stilzwijgend van uitgaan dat zij met hun huidige werkwijze de openbare zaak tot in lengte van dagen blijven dienen. Na het afschudden van hun ideologische veren hebben zij in dit land het algemeen belang hoog in hun vaandel geschreven, maar de burger raakt steeds meer gewend aan gratis informatie en media die geen boodschap hebben aan ‘oude’ journalistieke normen, zoals het groepsweblog Geen Stijl.

Nieuwsfeiten zijn overal en van iedereen. Oude media moeten harder lopen om hun klandizie en geloofwaardigheid te bewaken terwijl miljoenen burgers de bestaande publieke sfeer hebben verruild voor zeer diverse, soms afgelegen webdreven. De vraag is acuut hoeveel gemeenschappelijkheid overblijft om een democratische samenleving op te baseren.

Bij wijze van geloofsartikel is mijn antwoord dat er altijd burgers zullen zijn die zich opwinden over de buurt, het onderwijs, de belastingen, de zeespiegel of de oorlog. Hun bijdrage, dat is wat je burgerschap noemt. De vervlechting van hun mening met wat anderen vinden, dat is wat je democratie noemt.

Als nogmaals de Amerikaanse ervaring een aanwijzing mag zijn van wat ons te wachten kan staan, dan is te zien dat – ondanks een lagere opkomst bij verkiezingen dan men in Europa gewend is – in de Verenigde Staten de politieke participatie bloeit. Volgens het jongste onderzoek van het Pew Internet & American Life Project gebruikte bij de Congresverkiezingen van november 2006 een derde van alle Amerikanen internet als middel om campagnenieuws te verzamelen en uit te wisselen. 23 procent van de politieke internetgebruikers – dat wil zeggen 15 miljoen mensen – was ook actief: zij discussieerden online, organiseerden avonden en zamelden geld in voor kandidaten of hun favoriete thema’s.

Dit legioen heeft het oude begrip ‘grassroots’ een nieuwe inhoud gegeven. De campagne voor de Democratische kandidatuur van Howard Dean in 2003 en 2004 kon een bijna-sensatie worden doordat honderdduizenden hun tientjes instuurden en bleven sjouwen. Joe Trippi, Deans internetvaardige campagneleider, voorspelde na afloop: „The Revolution will not be televised”. De revolutie die hij voorspelde was digitaal, zonder de oude media en stond ten dienste van een democratie waarin de politiek niet langer wordt verkocht aan, maar gedragen wordt door burgers. Terwijl Trippi’s idealistische horizon verder ligt, is de macht van de webmieren nu al onmiskenbaar. Er is altijd wel iemand die een camera bij zich heeft. De Republikein George Allen liep in november herverkiezing op zijn Senaatszetel in Virginia en hoop op het Witte Huis mis dankzij de videocamera die één racistische campagne-uitglijder vastlegde. YouTube deed de rest.

Is er op internet ook nog journalistiek te vinden, behalve op de sites van de traditionele media? Zeker, maar anders. De meest opvallende nieuwkomers zijn schrijvers en ‘public intellectuals’ met uiteenlopende politieke visies als Andrew Sullivan, Josh Marshall, Glenn Reynolds (schrijvend onder de naam Instapundit), Glenn Greenwald, Hugh Hewitt, Markos Moulitsas (DailyKos) en Juan Cole die de laatste jaren een publiek van honderdduizenden, soms miljoenen hebben opgebouwd waar menige krant jaloers op kan zijn.

Zij voorzien in een behoefte aan snelheid, associatieve directheid, misschien ook aan passie, die de ‘oude media’ met hun formules van vorm, stijl en balans missen. Zelfs de publiek geïnteresseerde mens leeft niet bij louter ratio en rust.

Deze web-opinievormers schrijven één tot tien keer per dag, zij krijgen tips, doen onderzoek, verwijzen naar elders gevoerde discussies, leggen verbanden, onthullen en winden zich op. Ook duizenden minder bekende helden uit de ‘blogosphere’ dragen bij aan een in toenemende mate sprankelend en fijnmazig Amerikaans opinieklimaat. Steeds vaker zien ‘oude media’ zich gedwongen te verwijzen naar wat in de blogosphere al dagen bekend is en druk wordt besproken.

Als zij het goed doen, vullen de blogosphere en oude journalistiek elkaar aan. Maar bloeit de democratie, steeds meer verlaten door traditionele elektronische media, hierdoor aantoonbaar op? Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw hebben democratie-denkers als Alvin Toffler gedroomd van ‘een cyber-agora naar Grieks model’. Zij zagen de nieuwe mogelijkheden van het wereldwijde web in termen van bevrijding van de burger. Iedereen kan alles weten, iedereen kan permanent meestemmen over openbaar beleid. De realiteit is ingewikkelder.

Op het grensgebied van media- en politieke wetenschap wordt het nodige onderzoek gedaan naar het burgerschap dat zich aftekent. Zo gingen Kent Jennings en Vicki Zeitner, politicologen van de Universiteit van Californië in Santa Barbara, aan de hand van een schoolklas uit 1965 na of de komst van internet iets veranderde aan het verschil tussen niet- en wel-politiek-geïnvolveerden.

De in Amerika veel besproken ‘digital divide’ bleek een voortzetting van de al bestaande predigitale informatiekloof. Vooral de toch al politiek geïnteresseerden stortten zich op de mogelijkheden van internet. Maar het vertrouwen tussen mensen onderling en het vertrouwen in politieke instellingen bleek niet af te nemen in het cybertijdperk. Dat was een verrassing want cynici hadden voorspeld dat het ‘sociale kapitaal’ zou afnemen als mensen niet meer oog in oog vergaderen.

Mijn waarnemingen tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2000 en 2004 suggereren dat veel mensen zich snel aanpassen aan de elektronische organisatie van hun politieke betrokkenheid. Bagels eten met buurtgenoten en luisteren naar de favoriete kandidaat via het laptopscherm op het kookeiland, een afgeladen koffiewinkel vol jonge Republikeinen die elkaar vonden via de lokale MeetUp-website, anderhalf miljoen Bush-haters die elkaar ‘kennen’ van MoveOn.org, het is net zo gewoon geworden als folderen in het winkelcentrum.

Is er ook al iets te melden van het webdemocratisch front in Europa? Pippa Norris van de Kennedy School of Government aan Harvard heeft onderzoek gedaan naar de invloed van internet op politiek activisme van burgers.

Zij stelde aan de hand van de Eurosurvey-enquête in negentien Europese landen, waaronder Nederland, een index samen van kiezersbetrokkenheid. Daarbij zocht zij tussen droom en daad naar de reële bijdrage van internet aan modern burgerschap.

Norris ontwikkelde een ‘politiek marktmodel’ waarin de vertrouwde politieke- en overheidsinformatie om aandacht strijdt met een veelheid aan politiek relevante e-mails, nieuwsbrieven, internet-actiegroepen, journalistiek-politieke websites en burger-prikborden op het web. Om er zicht op te krijgen hoe vraag en aanbod elkaar vinden, onderscheidt Norris democratische activiteiten die door de opkomst van de kennismaatschappij worden bevorderd.

Wat blijkt? Hoe meer men internet gebruikt, des te politiek actiever Europese burgers zijn. Maar dat geldt vooral voor activisme in wat men in Nederland ‘het middenveld’ noemt, civil society, binnen verenigingen, vakbonden en kerken. Norris vond ook sterker activisme van internetgebruikers ten opzichte van niet-websurfers wanneer het ging om concrete doelen, consumentenacties, lokale kwesties en sociale problemen. Internet dreef mensen niet naar de stembus maar bracht hen er wel toe actiever mee te doen aan verkiezingscampagnes.

Deze bescheiden uitkomst geeft onbedoeld een indicatie van de rol die de journalistiek zou kunnen vervullen in een tijdperk waarin het nieuws op ieders telefoon binnenstroomt, een tijd waarin alle beschikbare kennis in theorie van iedereen is, maar in de praktijk voor velen even onbereikbaar als vóór de komst van het wereldweb.

Journalisten zullen meer van hun bestaansrecht moeten verdienen als dienstverleners die helpen orde in de chaos te scheppen. Zij zullen dat doen in een geïntensiveerde samenspraak met wat vroeger ‘de lezer’ en ‘de kijker’ werd genoemd, dus op internet.

iMedia zullen de gewone media zijn. Willen zij hun rol ten dienste van de democratie blijven vervullen, dan zullen die iMedia behalve overzicht vooral kennis en inzicht moeten bieden in zaken waar de burger zijn politieke activiteiten op richt. Zo kunnen journalistiek en burgerschap in het internettijdperk op vruchtbare wijze bij elkaar komen.

Juist met het wegvallen van oude vormen van gemeenschappelijkheid in de media, een onvermijdelijk gevolg van de groeiende on demand-cultuur, zou de journalistiek er goed aan doen op dagelijkse basis elementen aan te dragen die illustreren dat wij van lokaal tot internationaal niveau één wereld bewonen.

Dit is een bekorte versie van de oratie ‘iMedia: nieuwe journalistiek, nieuw burgerschap?’die Marc Chavannes, redacteur van NRC Handelsblad, vanmiddag hield bij de aanvaarding van het gewoon hoogleraarschap Journalistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen. De volledige tekst is te vinden op: http://www.rug.nl/Corporate/nieuws/archief/archief2007/persberichten/014_07