Israël Museum tegen teruggave roofkunst nazi’s

Na de oorlog kreeg Israël kunst die geroofd was door de nazi’s, maar waarvan geen eigenaar te vinden was. Nu moet er na meer dan vijftig jaar toch intensief gezocht worden. Het museum dat de kunst bewaart is tegen.

Het Israël Museum in Jeruzalem weigert vierhonderd schilderijen van Holocaust-slachtoffers af te staan aan het Israëlische semioverheidsbedrijf dat de werken wil gaan verkopen. Met de opbrengst, die geschat wordt op ongeveer 200 miljoen dollar, zouden hulpbehoevende joodse overlevers van de concentratiekampen geholpen moeten worden.

„Wij hebben deze schilderijen sinds 1951 in bewaring. Nooit zijn er eigenaren of nabestaanden langsgekomen om de werken te claimen. Wij zijn erop tegen dat zij worden verkocht en naar particuliere collecties verdwijnen. Dan gaan zij verloren als voor iedereen toegankelijk joods erfgoed”, aldus Naomi Wonnenberg van het nationale museum voor historisch joodse en moderne kunst.

Het in 2005 door de Knesset opgerichte bedrijf voor de verwerving van geroofde joodse bezittingen heeft het museum gevraagd de 400 schilderijen op korte termijn beschikbaar te stellen. „Het is niet aan het museum om de te bepalen wat er met de werken moet gebeuren. Zij zijn bij wet verplicht ze aan ons te overhandigen”, aldus Nadav Haetzni, de jurist van de onderneming. En: „Zij zijn daartoe ook moreel verplicht, want als zij dat niet doen creëren zij een internationaal precedent. Andere musea en regeringen zullen dan met verwijzing naar het Israël Museum weigeren geplunderde kunstwerken terug te geven.”

De curatoren van het Israël Museum voelen zich behoorlijk opgelaten door de publiciteit rondom het verzoek de schilderijen af te staan. „Als iemand vandaag of morgen komt en claimt dat een schilderij van zijn of haar ouders of grootouders was dan zullen wij zeker volgens de wet handelen. Maar we hebben de schilderijen gekregen zonder eigendomspapieren. Dat betekent dat wij het verzoek dan heel zorgvuldig en serieus zullen behandelen. Dat is altijd het beleid geweest, maar er is in al die jaren nooit iemand langsgekomen”, aldus Naomi Wonnenberg. Zij benadrukt dat het museum ook nooit een geheim heeft gemaakt van het bestaan van de geroofde collectie. „Er wordt in de Israëlische media gedaan alsof wij het zijn geweest die de kunstwerken hebben gestolen, heel unfair”, aldus Wonnenberg.

Het gaat in totaal om 400 schilderijen, waaronder Die Stadt van Egon Schiele, werken van Alfred Sisley, Moritz Oppenheim en Max Liebermann, die voor de Eerste Wereldoorlog de avant-gardistische beweging Gruppe der Elf leidde. Het merendeel van deze schilderijen is gemaakt door negentiende eeuwse kunstenaars in Berlijn, waar tot aan de Holocaust de meeste joden woonden. De totale waarde wordt geschat op 200 miljoen euro.

De schilderijen werden tussen 1933 en 1944 door de nazi’s gestolen van joodse eigenaren die vervolgens werden afgevoerd en vermoord. De verzamelingen werden aan het einde van de oorlog verborgen in de zoutmijnen in Zuid-Duitsland. Daar werden zij gevonden door het Amerikaanse leger, dat de schilderijen overdroeg aan een afdeling van het Joods Agentschap. In 1951 werden zij overgebracht naar Israël.

Het museum noch de overheid heeft actief getracht de eigenaren of nabestaanden te vinden. Er was geen organisatie voor en het museum en de overheid hadden andere prioriteiten. Volgens Wonnenberg werden de schilderijen tijdens exposities voorzien van een bordje met de vermelding dat het om door de nazi’s gestolen werken ging. Het Israël Museum zegt de schilderijen in bewaring te hebben gekregen ten behoeve van toekomstige generaties. Zij zullen binnenkort op de website van het museum geplaatst worden.

De directies van het museum en het Bedrijf voor de verwerving van eigendommen van Holocaustslachtoffers zijn nu onderhandelingen begonnen over de bestemming van de schilderijen. De activiteiten van het bedrijf vloeien voort uit de wet die in 2005 is aangenomen door de Knesset. Deze wet was weer het gevolg van het werk van een parlementaire onderzoekscommissie onder leiding van Colette Avital van de Arbeidspartij. Haar commissie stelde vast dat er meer gedaan moest worden om de eigenaren of nabestaanden van schilderijen, maar ook van onroerend goed en duizenden bankrekeningen in Israël te traceren. Deze bezittingen worden beheerd door diverse joodse organisaties en moeten nu op grond van de Avital-wet actief op zoek gaan naar nabestaanden of de bezittingen verkopen ten gunste van instellingen en fondsen die hulpbehoevende holocaustslachtoffers steunen.