Hoezo crisis in het onderwijs? Quatsch!

Of er wel of niet een parlementair onderzoek naar het onderwijs komt, is niet duidelijk. Maar, schrijft Ad Verbrugge, het valt de PvdA te prijzen dat deze partij daartoe het initiatief neemt, want het was vooral de PvdA die verantwoordelijk was voor de reeks hervormingen „waarmee ons eens zo deugdelijke onderwijsstelsel om zeep is geholpen” (Opinie & Debat, 3 februari). Woont Ad Verbrugge in Nederland? Verbrugge schreef een somber artikel over „toegebracht leed dat lange tijd naamloos is gebleven”. Wat een quatsch! Na een eeuw verstarring is het onderwijs in beweging. En beweging heeft onrust tot gevolg. Daarvan maakt Verbrugge zich tot spreekbuis – ten koste van het onderwijs.

Er is geen enkele reden voor een parlementair onderzoek. Jazeker, er zijn grote problemen. Maar tegelijk gaan de meeste van de drie miljoen leerlingen iedere ochtend welgemoed naar school en leren daar met behulp van enkele honderdduizenden docenten. En vaak met succes, zoals blijkt uit „de relatief hoge scores van Nederlandse leerlingen uit het voortgezet onderwijs bij internationale vergelijkingen zoals PISA”, zoals professor Jaap Dronkers schrijft (Opiniepagina, 30 januari).

Verbrugge stelt een groot aantal vragen die dikwijls een onbewezen stelling bevatten. En zijn conclusie is: „Vermoedelijk is er een enquête voor nodig om dat boven tafel te krijgen.” Nee, dat is niet nodig. Iedere betrokkene bij het onderwijs kan de meeste van deze vragen beantwoorden. Twee vragen van Verbrugge als voorbeeld.

Vraag: „Wat is er de afgelopen veertig jaar precies gebeurd met het niveau van de centrale examens in het voortgezet onderwijs, niet alleen qua moeilijkheidsgraad, maar ook wat de beoordeling betreft?” Antwoord: niets belangwekkends.

Vraag: „Wat is eigenlijk de rol van de onderwijsinspectie geweest bij de implementatie en controle van alle onderwijsvernieuwingen?” Antwoord: de inspectie is uit een lange winterslaap ontwaakt, komt tegenwoordig in de klas en informeert het publiek omstandig over de kwaliteit van scholen.

Hier een grove historische schets. Tot een jaar of vijf geleden was het onderwijs een verstard instituut met grote problemen door de houdgreep van de overheid: financiering, beloningsstructuur, onderwijsprogramma, lessentabellen – alles dicteerde het ministerie. Toen trad de overheid terug: deregulering. Het heeft daarom geen enkele zin de inmiddels afgeschafte regelneverij van de vorige eeuw nu te gaan onderzoeken.

Uit die tijd erfde het onderwijs slechte structuren zoals de vernieuwde Tweede Fase, het vmbo en te grote scholen. De structuurwijzigingen hadden geen invloed op de oude situatie van het lesuur: 20-30 leerlingen met 50 minuten een leraar ervoor.

Een goed verhaal en gezag gedurende zes lesuren per dag is tegenwoordig niet genoeg. Bij de invoering van die Tweede Fase werd een nieuwe didactiek voorgesteld, dus niet „centralistisch opgelegd”. Velen in het onderwijs, niet alleen de ‘managers’ (bijna altijd leraren), waren enthousiast over de voorstellen. Het Nieuwe Leren is niet een door „de bureaucratische en beleidsmatige schil” afgedwongen beweging, maar is (1) niet zo nieuw en (2) wordt door velen in het onderwijs als een belangrijke verbetering gezien. Enkele voorbeelden.

Enkele honderden Saoediërs betalen dik geld om in Maastricht medicijnen te studeren. Daar ligt met probleemgestuurd onderwijs de bakermat van het Nieuwe Leren.

Het vak ‘onderzoek en ontwerpen’ in de Technasia is een succes. Het is door docenten ‘aan de keukentafel’ bedacht.

Koot en Bie volgden al Nieuw Leren aan de Dalton in Den Haag. Om je kind daar ingeschreven te krijgen, moet je bij nacht en ontij voor de poort staan, zo succesvol is deze school.

Oud-collega Jan laat verrukt de software zien waar de klas om ons heen in alle rust zelfstandig Duits mee zit te leren. Zijn collega voelt nog niets voor die computers. Deze lesvorm is niet opgelegd.

Terug naar de geschiedenis. De deregulering bracht een vloedgolf van experimenten met zich mee. Daarbij werd ook geblunderd. Naast de enthousiastelingen zijn er docenten en ouders die schrokken van de vernieuwingen. De angst om het goede oude te verliezen – dat vooral lijkt de grond te zijn van wat men de crisis in het onderwijs noemt. Maar er is geen crisis.

Veel fabels hebben geen grond. Een voorbeeld. De universiteiten klagen dat de eerstejaars de wiskunde onvoldoende beheersen. Kort na de invoering van het studiehuis verbraken de technische universiteiten eenzijdig de afspraken over de toelatingseisen van vwo’ers. Omdat de instroom van studenten daalde, accepteerden zij leerlingen met te weinig wiskunde (zonder N&T-profiel). Sindsdien klagen zij.

Heeft Verbrugge dan alleen ongelijk? Nee hoor. Hij schrijft: „Willen we het onderwijs verbeteren dan heeft de rehabilitatie van de goed opgeleide en inspirerende leraar die zijn vak verstaat de hoogste prioriteit.” Roerend mee eens. Om gelijke tred te houden met het onderwijsniveau van de rest van Nederland zouden alle docenten, ook in het basisonderwijs, op mastersniveau moeten zijn opgeleid.

Er moet meer veranderen. Na de Tweede Fase moet bij het vmbo en mbo het nodige gebeuren, de enorme leerfabrieken moeten worden verkleind, de leraarsalarissen verhoogd. Maar de paniekzaaierij van Verbrugge is daarbij echter weinig behulpzaam. Protesterende leerlingen moeten net zo serieus worden genomen als protesterende volwassenen: niet zo erg serieus.

Rob Knoppert was leraar natuurkunde. Hij schreef tot 1997 de column ‘Het Vak’ in de bijlage W&O. Binnenkort verschijnt zijn boek ‘Edutopia’.