Er wordt weer goed geld verdiend aan biggen

Tien jaar geleden brak de varkenspest uit. Tien miljoen varkens werden geruimd. Veel boeren moesten stoppen, de rest is er goed bovenop gekomen.

Varkenshouderij ‘Ons Kuus’ in Ulicoten laat bezoekers in een ‘skybox’ zien „hoe goed wij in Nederland met onze dieren omgaan”. Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold ulicothen varkenshouderij foto rien zilvold Tien jaar na de pest: het varken levert weer geld op - Binnenland: pagina 2 Zilvold, Rien

De stal is vol. In het stro zijn in totaal 630 losse zeugen te zien. Enkele dieren zijn onderweg naar het voederstation, veel slapen er. Ze zijn allemaal ‘aangebeerd’ – geïnsemineerd – om later naar het kraamhok te worden gebracht, en daar na zeventien weken dracht gemiddeld 13,5 biggen te werpen. En dat tussen de 2 en 2,5 keer per jaar.

Het varkensbedrijf Ons Kuus, naar het Brabantse woord voor varken, wordt gedreven door Esther en Arnold Jansen, met hun vaste medewerker Karin. Ze hebben vier jonge kinderen.

Het bedrijf, gelegen in het dorp Ulicoten dichtbij de Belgische grens, telt achthonderd zeugen en loopt sinds een paar jaar weer goed. De Jansens verkopen ongeveer 20.000 biggen per jaar, de „uitval” in de kraamhokken van 2 à 3 procent niet meegerekend. De prijs per big is per jaar gemiddeld 37,50 euro tegen een kostprijs per big van 32 euro.

De tijden zijn wel eens slechter geweest. „De biggenprijs was ooit 14 euro”, vertelt Arnold Jansen. Dat was in de eerste jaren na de varkenspest, die deze week tien jaar geleden in Nederland uitbrak. Op 4 februari 1997 werd de ziekte op een bedrijf in het Brabantse Venhorst ontdekt. Tot eind maart 1998 werden in totaal 429 bedrijven besmet verklaard. Zo’n tien miljoen varkens werden geruimd. De crisis kostte 1,4 miljard euro.

De familie Jansen bewaart bittere herinneringen aan de varkenspest. Hun bedrijf lag buiten het besmet gebied, maar leed twaalf weken onder een vervoersverbod, als gevolg waarvan de stallen langzaam maar zeker uitpuilden met biggen die na vijf weken waren „afgespeend”, maar het erf niet mochten verlaten. „Ze stonden overal”, vertellen ze. „In de voergangen. In de paardenstallen. In de werktuigloods.”

Van de 3.500 biggen konden ze er uiteindelijk 1.500 verkopen aan bedrijven in het besmette gebied. De andere biggen gingen mee met de vrachtwagen om te worden vergast. Om aan de ingewikkelde regels van de opkoopregeling te voldoen, moesten biggen van enkele dagen oud van de zeug worden gescheiden. „Dat zou ik nu niet meer doen”, verzucht Esther. Echtgenoot Arnold: „We moesten wel.”

De varkenspest was de eerste in een serie plattelandsrampen zoals de mond- en klauwzeer (mkz) crisis in 2000, en luidde de reconstructie in van grote delen van het platteland.

Na zware jaren zijn de overgebleven varkenshouders weer boven Jan. „Er wordt weer goed verdiend”, zegt Henk Boelrijk, beleidssecretaris van de bakgroep varkenshouderij van LTO Nederland. De varkenshouderij heeft na de varkenspest volgens LTO een „totale omslag” doorgemaakt. Het risico op insleep en verspreiding van het virus is verkleind, vooral door het aantal professionele contacten te beperken en de hygiëne te vergroten.

„Die maatregelen hebben ertoe bijgedragen dat tijdens de mkz-crisis in 2000 geen enkel varkensbedrijf werd getroffen”, zegt Henk Boelrijk. „Ook de varkenspest aan de Duitse grens hebben we een jaar geleden buiten de deur kunnen houden.”

Bovendien is onder maatschappelijke druk het welzijn van de dieren verbeterd, zoals het in groepen huisvesten van zeugen. Moeilijk punt is nog steeds de castratie van biggen. Dit wordt gedaan om te voldoen aan met name de Duitse wens dat varkensvlees geen „berengeur” mag hebben.

De familie Jansen doet er van alles aan om te voorkomen dat de varkenspest uitbreekt. „We proberen de contacten tot een minimum te beperken”, zegt Arnold Jansen. Waar vóór de varkenscrisis het bedrijf regelmatig bezoekers ontving, komen nu alleen Arnold en Esther en hun werknemer Karin. Iedereen moet douchen. Er wordt een logboek bijgehouden van bezoekers. En er vinden zo min mogelijk transporten plaats.

Nederland telt nu 11 miljoen varkens, ruim een kwart minder dan eind jaren negentig. Er zijn 10.000 bedrijven, minder dan een kwart van het aantal in 1980. De varkenspest heeft ook de omgeving in Ulicoten veranderd. „Vroeger zaten wij op de ponyclub met alleen maar boeren. Nu zijn wij daar de enige boeren”, zegt Arnold. Vooral veel kleine varkenshouderijen zijn verdwenen. Er zijn geen opvolgers meer. En werknemers zijn moeilijk te krijgen.

De sector is bezig te „vermaatschappelijken”. Door de invoering van de skybox bijvoorbeeld. De familie Jansen is één van de tien Nederlandse bedrijven die deelnemen aan ‘Varkens in Zicht’, een project dat beoogt een aantal „misverstanden” over de varkenssector poogt weg te nemen. Belangstellenden kunnen via een zij-ingang achter glas een kijkje nemen in de stallen van Ons Kuus, „om met eigen ogen te zien hoe goed wij in Nederland met onze dieren omgaan”, zegt Arnold Jansen. Zijn vrouw Esther staat bovendien regelmatig groepen bezoekers te woord. Soms twee groepen per week, die met een huifkar vanuit een café in het dorp worden aangevoerd.

Maar helemaal uitsluiten dat er ooit nog eens een uitbraak van varkenspest komt, kun je nooit, zeggen Arnold en Esther Jansen. „Er hoeft maar een besmet wild varken langs de stallen te lopen en je hebt het”, zegt Arnold Jansen.