De eed

Al bijna drie jaar doet een studente geneeskunde onder pseudoniem verslag van haar stage. Vandaag studeert ze af. „Mevrouw Hermans, legt u de eed of de gelofte af?”

De hal van de medische faculteit is afgeladen. Mijn mede-co’s staan opgedost tussen hun stralende familieleden. Vaders met camera’s op de buik. Moeders met de bloemen al in de aanslag.

„Had je je pak niet even kunnen laten stomen, ofzo?” mompelt mijn zusje. En mijn moeder doet een hopeloze poging twee vouwen uit mijn jasje te strijken. Luc duwt me een stuk droge cake in handen, terwijl mijn vader nerveus aan mijn mouw trekt: „Schiet nou op, je medestudenten lopen de zaal al in.”

Ik wurm me door de mensenmassa heen, en plof op de laatste lege stoel op de eerste rij, tussen mijn, sinds zes jaar, alfabetisch geselecteerde co-vriendjes. Aankomend dokter Hamers, rechts van me, begint direct over zijn baan als zaalarts chirurgie en de kansen op een opleidingsplek. Halverwege mijn antwoord, valt dokter-in-spe Holstein me, van links, in de rede: „Maar wat doe jij zó eigenlijk, Anne?”

Ik doe een poging mijn plak cake in drie stukken te verdelen. Het resulteert in een kruimelzee op mijn broek. „Gewoon, uit eten met de familie en een paar vrienden. Jullie ook een stukje?” Holstein schudt lachend zijn hoofd. „Of je de eed of de gelofte gaat afleggen, bedoel ik!” Ik verslik me in mijn cake, laat geruisloos het laatste stukje naast mijn stoel vallen.

Eed of gelofte?

De beëdigingscommissie komt binnen en neemt plaats aan de lange tafel voor ons. De hoogleraar houdt een uitgebreide beschouwing over de opleiding. Dat je nooit klaar bent als arts, dat je altijd moet blijven leren en studeren. Vervolgens begint hij, op begrafenistoon, de Nederlandse artseneed voor te dragen: „Ik zweer of beloof dat ik de geneeskunst zo goed als ik kan zal uitoefenen ten dienste van mijn medemens... aan de patiënt geen schade doen... ik erken de grenzen van mijn mogelijkheden... geen misbruik van mijn medische kennis, ook niet onder druk... het beroep van arts in ere houden.” Inmiddels kan ik de tekst al dromen.

Hoeveel minuten héb ik nog?

„Mevrouw Van Andel. Legt u de eed of de gelofte af?”, vraagt de hoogleraar aan het meisje op stoel één. „De eed.” Ze staat op, trekt met haar linkerhand nerveus de rok van haar mantelpakje recht, en maakt met de rechter plechtig het V-teken. „Zo waarlijk helpe mij God almachtig”, galmt het overtuigd door de ruimte.

God. Automatisch zie ik Andries Knevel voor me. En Henk Binnendijk die met een groep christenen door Israël wandelt. „Sommige dingen kan ik ook niet begrijpen of verklaren”, legt hij ‘zijn’ jongeren uit. „Maar ik weet dat God dat wél kan. Daarom vertrouw ik op hem.” Een koude rilling langs mijn ruggengraat. Die eed voelt als een afschuiving van verantwoordelijkheid.

Gefascineerd staar ik naar de mollige jongen op de derde stoel. Zijn krijtstreeppak spant om zijn billen. De strepen zien er meer uit als golven. „Dat beloof ik”, stamelt hij met overslaande stem.

Ik zucht. Wat klinkt die gelofte hol en inhoudsloos. Als een klein kind dat belooft de snoeppot te laten staan. Het heette 2400 jaar geleden toch niet voor niets de eed van Hippocrates? Geen gezeur. Ik kies gewoon voor traditie.

Naast me staat nu Hamers op en steekt zijn rechterland in de lucht. „Zo waarlijk helpe mij God almachtig.”

Hamers en God almachtig? Wat is dit voor onzin? Als er íémand overtuigd atheïst is, is het Hamers wel. Zit zijn oma in de zaal of zo? Ik voel de ogen van mijn familie in mijn rug prikken.

En God en ik dan? Ooit voelde het alsof we maatjes waren. ‘Al geloof ik niet in je, mag ik even met je praten?’ fluisterde ik jarenlang. Op de wc, onder de douche, of op zaterdagavond aangeschoten op de fiets. Maar door de jaren heen veranderde God, van maatje tot visuele hallucinatie, tot uiteindelijk een ‘jaarlijks-een-kerstkaart-kennis’.

Moet ik hulp vragen aan een kerstkaartkennis bij mijn beëdiging tot arts?

„Mevrouw Hermans, legt u de eed of de gelofte af?” Dan maar een snoeppottekst. Ik neem de verantwoordelijkheid voor mijn eigen toekomst. „De gelofte.”

„Wilt u gaan staan en mij luid en duidelijk nazeggen?” Ik ga staan, kijk de hoogleraar recht in de ogen. In de hoek flitst een camera. „Dat beloof ik.”

Komende zaterdag op deze pagina de laatste ‘dokter Hermans’ en een interview met de auteur. Op die dag verschijnt ook haar doktersroman ‘De co-assistent’ bij uitgeverij Podium.