Chicklit is voor de lipstickfeministe

Verpest het ‘lichte genre’ de markt voor Nederlandse literatuur voor vrouwen?

Chicklit is een statement: wij zijn slim, onafhankelijk en we willen ook begeerlijk zijn.

Mede dankzij karikaturen als Ally McBeal zijn zorgen over je uiterlijk niet als ongeëmancipeerd. Foto FOX/HH Calista Flockhart as Ally McBeal ALLY MCBEAL (2001-2002) Photo Credit: FOX Shooting Star Transworld Fox;Hollandse Hoogte

Drie vrouwen staan op de longlist voor de Libris Literatuurprijs: Fleur Bourgonje, Natalie Koch en Sana Valiulina. Zou een van hen winnen?

Waarschijnlijk niet. De laatste 22 AKO- en Librisprijzen gingen naar mannen, Connie Palmen was in 1995 de laatste vrouw met De vriendschap. De spaarzame bekroning van literatuur van vrouwelijke schrijvers was voor auteur Mariët Meester aanleiding om zich in november te beklagen in Trouw. Haar verklaring: literaire jury’s zijn niet in staat onderscheid te maken tussen waarlijk belangrijke boeken die door vrouwen zijn geschreven, en de ‘chicklit’.

Schrijver Herman Stevens reageerde eind december in deze krant. Literatuur is altijd succesvol door beide seksen bedreven, schrijft Stevens. In de 18de en 19de eeuw waren er immers talloze vrouwen die romans schreven, „om de kost te verdienen, om de verveling te verdrijven, of gewoon uit geldingsdrang”. Pas rond 1900, aldus Stevens, „trok de literatuur zich terug in een ivoren toren waar alleen mannen welkom waren”. Dat vrouwen sindsdien hun plek in de serieuze literatuur niet hebben heroverd is ook volgens deze auteur – onder meer – te wijten aan chicklit. Doordat zoveel vrouwen prullenbakrijpe pulp schrijven, en zoveel uitgevers het uitgeven, moeten serieuze vrouwelijke auteurs zich extra bewijzen, denkt Stevens. En hij concludeert: „Pas als de markt voor goedkope vrouwenliteratuur van pure verzadiging is ingestort, zullen vrouwen weer een kans maken om serieus te worden genomen als schrijver.” Stevens lijkt dus te menen dat een kunstvorm devalueert wanneer ‘lagere’ of lichtere varianten aan populariteit winnen, en dat is opmerkelijk.

De curieuze analyses van Meester en Stevens maken benieuwd naar het kennelijk alom aanwezige genre van de chicklit. Om wat voor boeken gaat het in Nederland nu precies?

Allereerst een geruststelling: Nederlandse chicklit bestaat niet. In elk geval niet van het populaire Britse type Jill Mansell/Sophie Kinsella-‘hoe combineer ik mijn relatie met mijn shopverslaving?’ Een willekeurige greep uit het aanbod levert de volgende thema’s op: jonge vrouw krijgt te horen dat ze kanker heeft en beschrijft haar ziekte en genezing (Meisje met negen pruiken, Sophie van der Stap), jonge vrouw krijgt gecompliceerde relatie na serie internetdates (Fantastica, Merel Roze) en Spunk-debutante Wiegertje Postma kiest in 5 strippen een afwijkend onderwerp: dezelfde busreis over de Veluwe, steeds gezien door de ogen van een andere passagier, onder wie een jonge vrouw.

Wat de auteurs delen, is hun geringe literaire ambitie en het semi-autobiografische. Qua stijl, humor en originaliteit zijn de verschillen groot.

Het meest levensecht is Sophie van der Staps Meisje met negen pruiken. Studente en fotomodel Van der Stap kreeg vorig jaar te horen dat ze kanker had, en doet verslag van haar ziekbed en genezingsproces. Hoewel dit boek dankzij het onderwerp gemakkelijk boven het genre van de chicklit zou hebben kunnen uitstijgen, doet het dat niet. Want hoe aangrijpend sommige passages over eindeloos overgeven of zwembaden vol nachtzweet ook zijn, eigenlijk gaat het daar niet over. Net als bij alle andere luchtige jonge-vrouwenlectuur draait het bij Van der Stap om daten en uitgaan, om de vraag of de hoofdpersoon wel knap/slank/sexy genoeg is, en of het object van haar begeerte haar liefde wel beantwoordt.

In het boek met het meest eigentijdse thema, Fantastica, beschrijft Merel Roze, die voor haar gedrukte debuut als blogger al enige bekendheid genoot, hoezeer de internetdates het stempel dragen van televisieseries als Sex and the City. Voordat die komisch gecultiveerde Amerikaanse oppervlakkigheid hele volksstammen vrouwen bereikte, was het immers niet zo onoverkomelijk dat een potentiële minnaar zijn boord geheel dichtknoopt of een gouden ketting draagt.

Hoewel ze het in 5 strippen niet altijd even goed weet te doseren, heeft Wiegertje Postma stilistisch talent. Met zichtbaar plezier schrijft ze: ‘Meestal probeer ik onderweg iets te lezen om mijn voorsprong op de nog slapende rest van de wereld niet verloren te laten gaan, maar de hoek die mijn oogleden moeten maken als ik rechtop zittend een boek probeer te lezen is dusdanig klein dat volledig dichtvallen het onvermijdelijke gevolg is.’ 5 strippen staat boordevol vergelijkbare, stilistische vingeroefeningen – niet altijd even geslaagd, maar veelbelovend voor een volgend, minder haastig uitgegeven boek.

Interessant is wel waarom deze auteurs kiezen voor de chicklit, terwijl ze ongetwijfeld meer in hun mars hebben. Het idee dringt zich op dat dit niet is uit onmacht, maar expres. Ook het commerciële argument ligt voor de hand: er is vraag naar. Het is veelzeggend dat iedere van de bovengenoemde schrijfsters zelf eerst een column of weblog had, of als journaliste werkzaam was. Ongetwijfeld zijn hun boeken door de uitgever bedacht en, tot op zekere hoogte, gestuurd. Dit is niet het type boek waarvan het manuscript maandenlang in een uitgeversla lag te verstoffen.

Als generatie hebben deze jonge vrouwen daarnaast gemeen dat het inmiddels wel geaccepteerd is dat ze zich, naast belangwekkende onderwerpen als opleiding en ambitie, ook gewoon zorgen maken over hun figuur, of het vinden van een man. Mede dankzij karikaturen als Bridget Jones, Ally McBeal en de dames uit Sex and the City geldt dit niet meer als ouderwets, of ongeëmancipeerd, maar als een eenvoudig – zij het niet allesbepalend – feit, dat moedig-kwetsbaar wordt erkend, maar waar ook volop de draak mee wordt gestoken. Soms lijkt het wel dat deze generatie vrouwen die weinig intellectuele preoccupatie doelbewust overdrijft. Als een manier om afstand te creëren met de vorige generatie feministen bij wie het soms leek dat vrouwen niet mooi móchten zijn, wilden ze serieus genomen worden. De focus op uiterlijk en mannelijke erkenning lijkt een statement: het is hip, het geldt als zelfverzekerd: wij zijn slim en onafhankelijk maar we willen zélf ook begeerlijk zijn. Het is zelfverkozen oppervlakkigheid als fier uitgedragen lifestyle.

‘Lipstickfeminisme’ is het ook wel genoemd. En de moeder daarvan, hoewel zij nog meer ‘macha’ was dan kwetsbaar, is natuurlijk Madonna. Bij al deze auteurs schemert iets van haar brutaliteit, van de eigengereidheid, van het lak hebben aan conventies, door in hun boek.

Heeft deze eigenwijze instelling daadwerkelijk negatieve gevolgen voor de participatie van vrouwen in de serieuze literatuur? Dat lijkt niet erg waarschijnlijk. Om terug te komen bij Herman Stevens: de meeste boeken die vrouwen ‘als tijdverdrijf’ schreven in de 18de en 19de eeuw waren ook snel vergeten flutromannetjes: chicklit avant la lettre. Maar in 1782 verscheen er ook ineens Sara Burgerhart. Dus laat al deze schrijvende jonge vrouwen vooral lekker jonge-vrouwenboeken publiceren: experimenteren, leren en wellicht straks triomferen.

chicklit: www.chicklit.nl en anti-chicklit: www.weeklydig.com/arts/articles/ chick_ lit_is_hurting_america

Sophie van der Stap: Meisje met negen pruiken. Prometheus, € 15,–

Merel Roze: Fantastica. Archipel, € 16,95

Wiegertje Postma: 5 strippen. Rothschild en Bach, € 12,50

    • Herien Wensink