Wagners Tannhäuser is muzikaal en scènisch groots

De tweede acte van Tannhäuser: in het midden Elisabeth (Martina Serafin) en de Landgraaf (Kristinn Sigmundsson). (Foto Bernd Uhlig) Toneelbeeld Uhlig, Bernd

Voorstelling: Tannhäuser van R. Wagner door de Nederlandse Opera, Ned. Philh. Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen. Decor: Raimund Bauer; kostuums: Andrea Schmidt-Futterer; regie: Nikolaus Lehnhoff. Gezien: 2/2 Muziektheater Amsterdam. Herh.: t/m 26/2. Res.: 020-6255455. Radio 4: 24/2 18.30 uur.

De tweede acte van de nieuwe productie van Wagners opera Tannhäuser bij de Nederlandse Opera, is opera in grootse stijl. Die is in het Amsterdamse Muziektheater zelden gezien na Verdi’s Don Carlo in de legendarische productie van Luchino Visconti (1987), Wagners Parsifal (1990) in de regie van Michael Grüber en Wagners Die Meistersinger von Nürnberg in de grandioze enscenering van Harry Kupfer uit 1995.

De lange voorstelling was vrijdagavond een groot succes. De geliefde dirigent Hartmut Haenchen, de voormalige chef-dirigent en een groot Wagner-specialist die bij de Opera geen nieuwe projecten in het vooruitzicht heeft, werd voor en na elk van de drie actes door het publiek toegejuicht.

Nikolaus Lehnhoff, de regisseur die begon in het naoorlogse Bayreuth ten tijde van de vernieuwer Wieland Wagner, toont het middeleeuwse drama van Tannhäuser, die zich niet wil aanpassen aan de door religie beheerste samenleving, in een tijdloze Duitse stijl. Er is een symbolische entourage van spiralen in een universum van sterren, alle strak in het gelid.

De spiralen herinneren aan de voorstelling van Wagners Tristan und Isolde, zoals Götz Friedrich die in 1974 ensceneerde bij de Nederlandse Opera. De spiralen staan voor de levensweg die aan beide zijden schijnbaar in het niets verdwijnt. De ene kant ontspringt aan een eindeloze cirkel, de andere gaat over in de dood waarnaar Tannhäuser vaak verlangt, waartoe hij ook wordt veroordeeld en waarvan hij uiteindelijk wordt verlost door de liefdevolle Elisabeth, een incarnatie van Maria.

Al zijn Tannhäusers morele problemen met kerk en staat voor velen nauwelijks nog herkenbaar, toch combineert Lehnhoff al dat traditioneel Wagneriaanse inventief en subtiel met het voor-christelijke verleden èn met het eigentijdse. Tannhäuser wordt in een proloog gepresenteerd als een Grieks noodlotsdrama. De zangwedstrijd wordt voor een gouden microfoon uitgevochten. De zanger Biterolf, de praalhans, heeft opvallend eigentijds haar.

Lehnhoff vertelt het complexe verhaal van Tannhäuser op glasheldere en soms aangrijpende wijze. Scherp zijn de profileringen van de personages: vooral van Tannhäuser, op atypische en zeer individuele wijze gezongen door tenor Robert Gambill. Zijn breekbare, hartverscheurende zang gaat de conventionele Wagner-esthetiek ver voorbij en geeft een fel-realistisch beeld van zijn wankel gemoed.Het is ongeschikt voor de cd, maar zeer effectief in deze voorstelling. De zanger Wolfram von Eschenbach heimelijk verliefd op Elisabeth, is de tegenpool van Tannhäuser. Intens tragisch is hij in de vertolking van de voorbeeldig sonoor zingende Roman Trekel – wat een mooie aria O du, mein holder Abenstern !

Die majestueuze tweede acte is met overweldigende massascènes het theatrale hoogtepunt. Elisabeth – een sympathiek stralende en engelachtige rol van Martina Serafin – betreedt de gouden zaal van de Wartburg, waar een zangerswedstrijd zal plaatsvinden. Met de aria Dich, teure Halle daalt ze een reusachtige trap af. Daar ontmoet ze vol tweestrijd haar geliefde Tannhäuser, terug van zijn lange verblijf in de grot van Venus, wier minnaar hij was. Venus, een grandioos gezongen en geacteerde rol van Petra Lang, ontpopte zich in de eerste acte van een bijenkoningin omringd door spastisch dansende larven tot een strakzwarte vamp in nachtclubsfeer.

Dan is er die massale intocht van de Landgraaf – een uitstekende rol van Kristinn Sigmundsson – , zijn edelknapen, vijf in goud geklede zangers, optochten van ridders en graven, eindeloze stoeten van edelvrouwen met hun gevolg en cohorten soldaten met teutoonse helmen met hertengeweien. Ze staan ouderwets stram gegroepeerd tot de zangers met elkaar gaan strijden: wie zingt het mooiste lied over de liefde?

De middeleeuwse zangers, onder wie een goede Marcel Reijans als Walther von der Vogelweide – doen dat als hedendaagse Idols. En zoals in een rappers battle werpen ze elkaar de microfoon uitdagend toe. Wanneer Tannhäuser de zondige liefde van de heidense godin Venus propageert, ontaardt de zangersoorlog in een volksgericht en wordt Tannhäuser uitgestoten. Hij moet ontzondigen in Rome.

In Tannhäuser, zoals altijd op een eigen tekst, verenigt Wagner de grote thema’s en veel van de muziek uit zijn oeuvre. Het titelpersonage is al even gecompliceerd. Met een sater en een faun op het podium lijkt de zanger zowel op de Grieks-mythologische Orfeus als op de held Odysseus, die op weg naar huis telkens weer wordt verleid. Maar hij is ook een christen die willens en wetens zondigt en ook boete wil doen bij de paus in Rome, die echter geen genade biedt en hem de dood toewenst.

Tannhäuser is een drop-out tussen verleden en heden, een loner tussen culturen en religies, een zwerver op het onherbergzame slagveld van de strijd om behoud van normen en waarden, tussen verboden lust en brave deugdzaamheid. Hij is een menselijk wrak dat ooit de vrijheid koos en nu is uitgekotst. Tot Elisabeth, het evenbeeld van de maagd Maria, zich zijn lot aantrekt en hem verlost door te sterven, zoals haar zoon met zijn sterven de mensheid verloste. Tannhäuser laat zijn oude ik achter, zijn nieuwe ziel mag de weg naar boven betreden.

De indrukwekkende voorstelling rust op de oerdegelijke, maar ook verbeeldingsvolle en gedreven begeleiding door het uitstekend spelende Nederlands Philharmonisch Orkest en Hartmut Haenchen, die hier al hun ervaring sinds de Parsifal in 1990 etaleren. Wagners muziek zwerft tussen klein en groot, tussen transparant en imposant, resulterend in een groots en effectvol slot: Tannhäuser wordt toch nog gered.