Verdrag, geen grondwet

Het is verstandig dat de onderhandelaars van CDA, PvdA en ChristenUnie ervoor hebben gekozen in Nederland in principe geen nieuw referendum over de Europese grondwet te houden. Deze werd in 2005 bij volksstemming afgewezen; eerst in Frankrijk en later in Nederland. De grondwet wederom in stemming brengen omdat afwijzing ervan de Europese Unie in een bestuurlijke crisis heeft gestort, zou een belediging van de kiezers zijn. Nee is nee, en met die uitspraak is terdege rekening gehouden. Maar nu achttien lidstaten het verdrag hebben geratificeerd, is een situatie ontstaan die Nederland niet kan negeren. Het dilemma is dat deze keuze als kiezersbedrog kan worden opgevat. Op twee manieren. Tegen de deelnemers aan het referendum wordt dan gezegd: we knutselen wat aan de Europese constitutie, slanken die af en noemen dit geen grondwet meer maar een verdrag. Dit verdrag dient het deel van het Nederlandse electoraat dat destijds ‘nee’ zei als voldongen feit te accepteren – uiteraard wel voorzien van parlementaire goedkeuring.

Voor degenen die in november bij de Tweede Kamerverkiezingen op PvdA-leider Bos stemden, komt hier nog bij dat hij steeds heeft gezegd dat een nieuwe Europese grondwet aan de kiezers moet worden voorgelegd. In het verkiezingsprogramma van de PvdA stond het zo: „De uitslag van het referendum over de grondwet was glashelder. De PvdA zal niet accepteren dat er via een omweg toch aan gemorreld wordt. Voor een nieuw (grondwettelijk) verdrag is een nieuw referendum nodig”. Bos is nu kennelijk een andere mening toegedaan. Waarmee hij zijn electoraat veel heeft uit te leggen.

Het is hoe dan ook kiezen tussen twee kwaden. Maar dat er gekozen moet worden, staat vast. Eerst door een ‘contemplatieperiode’ die de Unie zelf had uitgeschreven en later door de kabinetsformatie en de radiostilte die daarmee gepaard ging, is het standpunt van Nederland inzake de Europese grondwet steeds vooruit geschoven. Het gaat nu te lang duren. Voor Nederland dreigt hiermee een Europees isolement. Andere lidstaten willen doorgaan met de grondwet. Immers, de sterk uitgebreide Unie – waarvan Nederland niet alleen prominent lid maar zelfs medeoprichter is – heeft behoefte aan adequaat bestuur.

Het ‘Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa’ voorziet daarin. Het punt is echter dat de grondwet aanzienlijk meer zaken regelt. Het is een lijvig document met veel pretenties. Een ingekorte verdragstekst die zich concentreert op een efficiënt bestuur van Europa zou een referendum overbodig maken. Zo’n verdrag zou geen grondwettelijke aspecten moeten bevatten en mag ook nadrukkelijk geen grondwet heten. Net als twee jaar geleden kan een afgeslankt verdrag op grondwettelijke aspecten door de Raad van State worden getoetst. Toen gebeurde dat ter rechtvaardiging van de volksraadpleging; nu zou het juist gaan ter voorkoming daarvan.

Het lijkt op een juridische truc om iets tegen de wil van de kiezers door te drukken. Misschien is het dat ten dele ook. Maar haalbaarder of minder huichelachtige alternatieven zijn nauwelijks voorhanden.