Naar een minder meegaande buitenlandse politiek

Niet weer moet Nederland in zijn eentje – en op eigen kosten – tekenen voor een riskante missie als die in Afghanistan, vindt Bart Tromp.

Het eerste dat een nieuw kabinet op het terrein van de buitenlandse politiek moet doen, is zich distantiëren van de steun van de kabinetten-Balkenende aan de oorlog tegen Irak. Deze steun is immers gebaseerd op de stelling dat een staat een andere staat militair mores mag leren indien de eerste vindt dat de laatste zich niet houdt aan resoluties van de Veiligheidsraad, ook al is de Veiligheidsraad die mening niet toegedaan. Niet alleen is dit logisch gezien een absurde opstelling. Ze ondermijnt ook de status van Nederland als centrum van internationaal recht.

Door dit standpunt af te wijzen maakt het nieuwe kabinet ondubbelzinnig duidelijk dat er inderdaad sprake is van een ander beleid, waarin Nederland niet alleen, in ruil voor een ontbijt met president Bush jr., kritiekloos de Amerikaanse buitenlandse politiek volgt. De verhouding tussen bondgenoten, wat ook het verschil in macht is, dient op wederkerigheid te zijn gebaseerd, niet op onderschikking.

Voor een land als Nederland is buitenlands beleid per definitie vooral reactief. Juist daarom dient het nieuwe kabinet onder ogen te zien dat het ene anker van het Nederlandse buitenlands beleid sinds 1949, het lidmaatschap van de NAVO, aan het krabben is. Dit vergroot niet noodzakelijkerwijs de Nederlandse bewegingsvrijheid, maar vereist wel een minder meegaande opstelling.

Die noodzaak wordt versterkt door een andere factor. De Nederlandse krijgsmacht is in de afgelopen vijftien jaar succesvol getransformeerd. Deze was een halve eeuw georganiseerd voor territoriale defensie in geval van een Sovjet-Russische aanval. Nu is zij een expeditionair wapen, dat kan opereren overeenkomstig het devies van het Korps Mariniers: zover de wereld strekt – qua patet orbis. Dit betekent dat Nederland een oorlogvoerende staat is geworden, dat ‘defensie’ voor het eerst in de geschiedenis van het koninkrijk een instrument van buitenlandse politiek is geworden.

Juist wegens de succesvolle transformatie in een expeditionaire krijgsmacht op een hoog niveau van professionaliteit en uitrusting, zijn Nederlandse eenheden gewild. Maar zij zullen altijd optreden in een kader waarin anderen uitmaken van de politieke doelstelling is en wat de strategie. Zie Joegoslavië, zie Irak, zie Zaïre, zie Afghanistan.

Een nieuw kabinet moet onder ogen zien dat het hier gaat om een volstrekt nieuwe situatie, die niet alleen een veel alertere politiek vraagt, maar ook om een veel verdergaande samenwerking tussen Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking. Niet weer moet Nederland in zijn eentje – en op eigen kosten – tekenen voor een riskante missie als die in Afghanistan, waarbij een onzinnige scheiding tussen militaire en niet-militaire aspecten uitgangspunt is.

Ook het tweede anker van de naoorlogse Nederlandse buitenlandse politiek krabt: Europa. Na het referendum over het grondwettelijk verdrag zijn er vele onderzoeken gepubliceerd over wat de tegenstemmers daarmee hebben willen zeggen. Een duidelijk antwoord heeft dat niet opgeleverd, zodat politieke partijen in het duister tasten over wat dan wel aanvaardbaar zou zijn geweest. De afgekondigde periode van ‘reflectie’ is niet te onderscheiden van een winterslaap. In de verkiezingscampagnes hebben alle partijen nagelaten naar voren te brengen wat zij wel nastreven als oplossing voor de reële problemen waarin het verdrag moest voorzien. Daardoor is bij voorbaat weinig legitimatie verworven voor wat de nieuwe regering op dit punt gaat doen of gaat accepteren. Toch zal zij niet alleen de brokken op Europees niveau moeten ruimen, maar ook de burgers moeten overtuigen welke maatregelen in een onvermijdelijk nieuw verdrag noodzakelijk zijn om de EU tenminste niet slechter te laten functioneren als anders het geval zou zijn. Meer in het algemeen zal een nieuw kabinet ervoor moeten zorgen dat er een veel nauwere relatie gaat bestaan tussen de Haagse en de Brusselse politiek.

De derde dimensie van de Nederlandse buitenlandse politiek, na die van NAVO en EU, is die van de wereld daarbuiten. Het nieuwe kabinet moet de bevordering van de internationale rechtsorde, een grondwetsartikel, serieus nemen. Zeker nu deze allerwegen – ook, en niet het minst in het kader van de bestrijding van terrorisme, zowel in het verband van de EU als in dat van de Verenigde Naties – wordt uitgehold.

Daarnaast: mondialisering. Dit veelvormige begrip is nu vooral opgevat als naam voor een bedreiging van ons land. De positie van Nederland in de wereldeconomie is gebaseerd op zijn geografische ligging en op het hoge niveau van de fysieke en kennisinfrastructuur. Het eerste wordt bedreigd door een gebrek aan ruimtelijke ordening, het tweede door de neergang van onderwijs op alle niveaus, maar ook van wetenschappelijk en toegepast onderzoek. De beste manier om de positie van Nederland te behouden en te versterken is daarom een lang volgehouden strategie om het onderwijs in Nederland, na veertig jaar ‘constructief onderwijsbeleid’, te revalideren, en onderzoek en innovatie krachtig te stimuleren. Ook door een ruimhartig toelatingsbeleid voor ‘kenniswerkers’.

Bart Tromp is bijzonder hoogleraar in de theorie en geschiedenis van de internationale betrekkingen aan de Universiteit van Amsterdam en is daarnaast verbonden aan Instituut ‘Clingendael’.

Voorafgaande stukken in deze serie zijn na te lezen op www.nrc.nl/opinie