Meer dan de vrouw van

De Hongaarse fotografe Ata Kando is in Nederland vooral bekend als ‘de vrouw van’ fotograaf Ed van der Elsken’.

In het buitenland geldt Kando als een van de groten.

Uit de serie ‘Droom in het woud’, 1957 Foto Ata Kando Kando, Ata

Een zwart-witfoto van een paar vluchtelingen die over een akker lopen en op de rug zijn gefotografeerd. Een van hen draagt een kind op de rug, de ander heeft een klein kind op de arm dat vanaf de schouder angstig de lens inkijkt. Het is een sober beeld en wat er te zien is, lijkt niet heel bijzonder. Maar het verhaal erachter is dat wel.

Vijftig jaar na dato doet de maker van de foto, na een paar keer bellen, de deur open in een serviceflat in Bergen-N.H. Een kleine, tengere verschijning met een bos weerbarstig wit haar kijkt met levendige ogen de bezoeker aan. In de hal en de kamer hangen foto’s: van kinderen in de bergen, indianen in het oerwoud, modefoto’s uit de jaren vijftig in Parijs.

Op de tafel in de woonkamer ligt een stapel fotoboeken, een paar onderscheidingen en een envelop met een stempel van het Witte Huis. Ata Kando (1913) pakt de brief uit de envelop en leest voor: „Dear Ata, dank voor de historische foto die ik van András heb gekregen. De les van de Hongaarse revolutie is duidelijk: vrijheid kan worden uitgesteld maar niet worden ontkend. Met de groeten van Laura.” Was getekend: George W. Bush. Kando pakt het Rode Boekje Zonder Naam, dat ze in 1956 samen met haar collega Violette Cornelius maakte, en zoekt tussen talloze beelden van voornamelijk kinderen naar de vluchtelingenfoto. „Kijk, hier, András Simonyi, de Hongaarse ambassadeur in Washington, overhandigde een paar maanden geleden deze foto aan Bush”, zegt Kando. „Vandaar dat ik deze dankbrief krijg.”

Het is vreemd. In Hongarije is deze 93-jarige fotografe beroemd, maar in Nederland weet alleen een beperkte kring van fotografen wie ze is. „De eerste vrouw van Ed van der Elsken”, is de zin die geregeld volgt op het uitspreken van haar naam. „Ik wil niet klagen hoor, maar eigenlijk ben ik in Nederland altijd een beetje gediscrimineerd. Ten eerste omdat ik een Hongaarse vluchtelinge ben. En ten tweede omdat ik getrouwd was met de beroemdste fotograaf van Nederland. Daar kom ik nooit van los.”

Kando, die in 1954 met Ed van der Elsken (1925-1990) en haar drie kinderen naar Nederland kwam, is de laatste overlevende van de eerste groep fotografen die lid waren van de Gebonden Kunsten Federatie (GKf), voor hen had fotografie vooral een dienende functie. Maar daarnaast maakte Kando veel eigen werk, dromerige, poëtische fotoseries van haar kinderen. In 1956, het jaar van de Hongaarse opstand, besloot ze niet naar Boedapest af te reizen, maar naar het grensgebied tussen Oostenrijk en Hongarije om het leed van de duizenden Hongaren vast te leggen die probeerden het land te ontvluchtten. Van tevoren had ze haar collega’s opgebeld. „Ik vroeg iedereen: van Cas Oorthuys tot Ed. Maar niemand ging mee. Ze vonden het te gevaarlijk.”

Tot Kando mede-GKf-lid Cornelius aan de lijn kreeg: „Zij wilde wel, op voorwaarde dat we van tevoren een uitgever zouden vinden.” Dat lukte. De Bezige Bij stemde in en Kando en Cornelius vlogen naar Wenen. De reportage resulteerde in een boek dat 500.000 gulden opleverde, wat Kando en Cornelius ter beschikking stelden aan de opvang van vluchtelingenkinderen.

In de periode daarna verbleef Kando in Nederland en doceerde ze aan de School voor de Grafische Vakken in Utrecht en de AKI in Enschede. Daarnaast ging ze een aantal keer naar het Amazonegebied om het leven van de indianen vast te leggen. Het resultaat werd gebundeld in het boekje Slaaf of Dood en de foto’s werden vele malen op verschillende plekken in de wereld tentoongesteld. Maar in Nederland raakte ze in de vergetelheid.

Toch refereren meerdere objecten in haar flat aan een veelbewogen bestaan. Kando wijst naar een kleine houten standaard met daarop een gouden plaquette. „Hier ben ik het meest trots op.” Het is de ‘Righteous Among the Nations-onderscheiding’ van Yad Vashem die ze in 1999 ontving op de Israëlische ambassade in Londen. „Ik vind het zo jammer dat mijn eerste man hier niets van weet”, zegt ze met een zucht.

In 1941, toen Hongarije zich aansloot bij Hitler-Duitsland, ging de joodse Ata met haar echtgenoot, de Hongaarse kunstschilder Jules Kando bij het verzet. „We vervalsten documenten: geboorteakten, huwelijksakten, noem maar op. Mijn man vulde alles in met valse gegevens, ik was vooral goed in het tekenen van politiestempels met waterverf.”

De laatste tijd krijgt Kando in Nederland meer erkenning voor haar fotografie. Zo was er in 2004 een speciale expositie in Amsterdam ter gelegenheid van haar negentigste verjaardag. En afgelopen jaar zijn de foto’s van de Hongaarse vluchtelingen opnieuw geëxposeerd en is haar ‘rode boekje’ opnieuw uitgebracht door het Nederlands Fotomuseum. Echt trots is Kando op het werk dat ze samen met haar kinderen maakte. Vorig jaar kwam het fotoboek Kalypso & Nausikaä uit, een poëtisch beeldverhaal geïnspireerd op Homerus’ Odyssee, dat ze maakte op een vakantie in Zuid-Italië in 1956 en waarvoor haar kinderen poseerden. De melancholieke foto’s uit het sprookjesboek Droom in het woud verschenen onlangs opnieuw in een editie van Foam Magazine. In tegenstelling tot haar vriendin, de Hongaarse fotografe Eva Besnyö (1910-2003), die in Nederland veel bekender is geworden, heeft Kando nooit haar eigen werk gepromoot. „Ik ben een slechte zakenvrouw”, geeft ze toe.

Ata Kando werd in 1913 in Boedapest geboren als Etelka Görög. In 1928 ontmoette ze op een grafische kunstopleiding de man die haar eerste echtgenoot zou worden. Een jaar later trouwden ze en in 1932 vertrok het echtpaar naar Parijs. Wegens geldgebrek weken ze al snel uit naar Barcelona. „Met een affichewedstrijd had ik een camera gewonnen. In de haven van Barcelona ben ik schepen gaan fotograferen.” Kando besloot met haar man terug te keren naar Hongarije om, als een van de weinige vrouwen in die tijd, een opleiding fotografie te gaan volgen. Met haar diploma op zak vertrokken ze in 1938 naar Parijs. Na ruim een jaar moest het echtpaar opnieuw het land verlaten. „De Duitsers vielen Frankrijk binnen en alle buitenlanders moesten weg.” Kando vertrok, vier maanden zwanger, naar haar geboorteland.

Kando beviel begin 1941 van een zoon, Thomas. Twee jaar later volgde de tweeling, Juliette en Madeleine. In 1947 gingen Ata en Jules opnieuw naar Parijs. Omdat de armoede aanhield, besloot Jules in 1949 alleen terug te gaan. Via oorlogsfotograaf Robert Capa, een vriend van het echtpaar, vond Kando werk in de donkere kamer van het fotoagentschap Magnum. Daar, in de doka, ontmoette ze in 1950 Ed van der Elsken. Hij trok al snel bij Kando in en in datzelfde jaar vroeg ze een scheiding aan. Omdat haar salaris niet afdoende was om drie kinderen te voeden, werkte Kando dag en nacht.

Over die periode schreef Van der Elsken in zijn boek Parijs! 1950-1954: ‘Ata werkte eigenlijk nog harder dan ik. […] Dank zij haar, dank zij haar ploeteren en geld verdienen, heb ik mijn vrije werk kunnen maken. Zij zag haar rol ook zo: de vrouw van De Kunstenaar, die zich opoffert om het voor Hem allemaal mogelijk te maken.’ Kando kan zich nog steeds wel in deze tekst vinden. Toch vindt ze niet dat ze zichzelf tekort heeft gedaan door het kunstenaarschap van anderen te ondersteunen.

Het leven in Parijs bleef zwaar en in 1954 besloot het gezin naar Nederland te gaan. Daar liep het huwelijk al snel op de klippen. In 1979 vertrok Kando naar de Verenigde Staten waar ze twintig jaar woonde en al die tijd bleef werken als fotograaf. Dat de aandacht voor haar werk is toegenomen nu ze weer in Nederland woont, doet haar goed: „Ik krijg nu ineens e-mails van mensen uit New York die mijn werk willen exposeren.” Een groot deel van haar archief zit nog in dozen die in het Nederlands Fotomuseum zijn opgeslagen. Bij haar thuis liggen alleen nog de oorspronkelijke afdrukken van haar werk. Sinds kort verdient ze wat bij met de verkoop daarvan door HUP Gallery in Amsterdam. Het nadeel is dat haar collectie zo onder verzamelaars verspreid raakt en niet bijeengehouden wordt.

Toch is ze niet ontevreden als ze op haar leven terugblikt. „Ik ben Ed nog steeds dankbaar. Alles wat goed is aan mijn leven, dank ik aan hem. Hier kon ik mijn werk waarmaken. Dat is mij in geen enkel ander land gelukt.” Ze voelt zich thuis in Bergen. „De mensen in dit land zijn aardig, soms een beetje dom, dat wel, maar we leven hier tenminste in vrijheid. En vrijheid, ja, die heb ik soms gemist.”

In Foam Magazine # 9 (winter 2006-2007) is de fotoserie Droom in het Woud opgenomen.