IJsgevechten nog niet geliefd

Nederland wil graag internationaal meetellen bij het shorttrackschaatsen.

Maar het grote publiek loopt vooralsnog alleen warm voor rondjes van 400 meter.

De Belg Pieter Gysel leidt in de A-finale van de 1.500 meter voor de Nederlander Niels Kerstholt en Heralds Silovs uit Letland. Foto Eric Brinkhorst 3-2-2007 shorttrack Heerenveen ©foto eric brinkhorst3-2-2007 shorttrack Heerenveen cap 23 = annita van doorn 22 jorien ter mors 78 thomas mogendorff 25 ellen wiegers 24 maaike vos 79 jorrit oosten 76 niels kerstholt 77 rudy koek 26 anouk zoutendijk 81 freek van der wart 80 roderick oosten ©foto eric brinkhorst Brinkhorst, Eric

Ware ijsgevechten zijn het: opspattend ijs in een kluwen van schaatsen, knieën en ellebogen. Zes, soms zeven schaatsers tegelijk door de bocht op een ijsbaantje waarvan de doorsnee Nederlander zegt: ga toch op een echte ijsbaan rijden.

Het contrast met het Thialf van vorige week is schrijnend. Toen stonden er lange files in het Friese land, uren voor de wereldbekerwedstrijden in de grote ijshal. De shorttrackers moesten het tijdens hún wereldbekerwedstrijden doen met een handjevol kijkers in de aanpalende ijshockeyhal. „Vooral familie en vrienden”, weet shorttracker Annita van Doorn.

Maar ook fans. Hoog op de tribune raakt Shani Davis in extase als zijn landgenoot Alex Izykowski, hangend in de bocht, ternauwernood overeind blijft in een mêlee van schaatsers. „Come on, Alex!”, schreeuwt hij. „Wow, dit noem ik nog eens een echte schaatsrace”, kraait de wereldkampioen allround uit. „Dit is veel spannender. Hiervoor ga ik naar de ijsbaan, eerder dan voor langebaanschaatsen. Wij vinden dat hetzelfde als kijken naar opdrogende verf.” Hij grijnst en gaat een half uurtje trainen op de grote, lege baan ernaast. Maar hij is snel terug voor de rest van het spektakel met schaatsers uit alle windstreken, van Belgen tot Bulgaren, van Australiërs tot Letten. En altijd begeleid door trendy muziek. Veel disco, maar ook salsa.

Voor Nederlanders is shorttracken nog altijd vechten tegen de bierkaai. Maar wel een bewuste keuze. Annita van Doorn (23) verhuisde onlangs van Utrecht naar Langweer in Friesland om elke dag te kunnen trainen in het nieuwe nationale shorttrackcentrum, Thialf. Zij begon als langebaanschaatsster, maar koos op jonge leeftijd voor het shorttracken. „Ik vond het veel leuker. Bij de langebaan rijd je puur voor de tijd. Shorttracken heeft alles wat een sport maakt: snelheid, tactiek, techniek, mentaliteit, timing, manoeuvreren. Het is een direct gevecht. Alles wat de scheidsrechters niet zien is geoorloofd.”

Dat merkte zaterdag ook Maaike Vos, een van de talenten bij de vrouwen. De 21-jarige schaatsster uit Sappemeer, clubgenoot van Marianne Timmer, kreeg op de 1.000 meter al bij de eerste bocht een klap in haar gezicht. „Ik wist niet wat er gebeurde”, zegt ze met een gezwollen, bebloede lip. „Maar dit hoort erbij.” Even later viel ze, nadat ze „vol in de schaatsen van iemand anders” was gereden. Toch staat ook haar keuze vast. De langebaan is saai, vindt Vos. „Dan rijd je daar helemaal in je eentje. Dit is zoveel sneller en spannender.”

Toch beseffen de shorttrackers dat de eeuwige roem voor hen voorlopig nog niet is weggelegd – althans niet in Nederland. „Dat we geen aandacht krijgen is wel eens frustrerend”, zegt Annita van Doorn, aankomend fysiotherapeute. „Ik werd laatst vierde op het EK in Sheffield, en er was niets op tv. Maar ik kies niet een andere sport om aandacht te krijgen. Dit is mijn sport, het is superspectaculair. Mensen moeten het een keer zien, dan raken ze vanzelf geïnteresseerd. Ik denk dat Nederland het nog wel een keer ontdekt als tv-sport.”

Wat het Nederlandse shorttracken volgens sommigen nodig heeft, is dat het Wilhelmus af en toe klinkt. „We missen nog een Nederlandse favoriet, een publieksheld”, zegt Henk Gemser, schaatscoach (langebaan), die geen moeite heeft een rustig plekje op de tribune te vinden. Hij is er „omdat Thialf mijn achtertuin is” en omdat hij als bestuurslid van sportkoepel NOC*NSF de vorderingen van de shorttrackers wil bekijken. „Het is veel dynamischer dan langebaanschaatsen”, vindt hij. „Totaal anders, andere bochten, veel meer risico’s, omdat het een contactsport is. Er zit ook een element van oneerlijkheid in, want als je onderuit wordt gereden krijg je niet altijd een herkansing.”

NOC*NSF stopt de komende jaren veel geld in de sport, omdat ‘Papendal’ ruimte ziet voor Nederlandse medailles. Met dat geld moeten de shorttrackers de sprong naar de wereldtop maken. De ijsvloer van de kleine hal van Thialf is voor veel geld vernieuwd, er is een topcoach binnengehaald, de Canadees John Monroe, en er zijn centrale trainingen geïntroduceerd voor de selectie.

Maar, zegt Gemser, verzilvering van dat ontwikkelingsgeld kost tijd. „We zijn historisch belast met 125 jaar langebaanschaatsen. Dat haalt het shorttracken niet zo maar in. Ik verwacht op de Spelen van 2010 in Vancouver nog geen medailles. Je moet in perioden van acht jaar denken. Vorig jaar had je hier een bondscoach die ook fysiotherapeut, reisleider en organisator was. Die situatie hadden we 35 jaar geleden bij de langebaan.”