Het belang van theologie

De schrijver Fouad Laroui, onder andere auteur van het boek Over het islamisme, wil nooit praten in het openbaar over wat hij zelf gelooft. Dat is privé, zegt hij.

Daar is veel voor te zeggen. Geen twee gelovigen geloven hetzelfde, uiteindelijk, al hebben ze misschien wel heel veel gemeenschappelijk. Het gemeenschappelijke kan in rituelen gezamenlijk beleefd en tot uitdrukking gebracht worden en in het opnieuw vertellen van de verhalen, dat wat privé is, hoort bij het gebeds- en gedachtenleven.

Zo klinkt het heel makkelijk en overzichtelijk. Maar zo zit het niet. Want daartussenin is nog van alles, en dat alles laat zich misschien het beste samenvatten door het woord ‘theologie’. Theologie, dat is dan de interpretatie van de verhalen en canonieke teksten, en de traditie van de kerk.

Wat houd je over als je het geloof uiteindelijk een privézaak vindt? Laroui vindt dat er een scheiding loopt tussen godsdienst en geloof. Godsdienst is gezamenlijkheid en, dus, gevaarlijk: „Wij en zij. Wij tegen hen. En daarmee beginnen de problemen, wantrouwen, haat, oorlog”. En geloof is „het zoeken van de rusteloze ziel, het strikt individuele verlangen dat ons af en toe als door een wonder voert naar een oneindig, onbegrijpelijk en plotseling aanwezig elders”. Daar hoeft verder niemand zich mee te bemoeien, geen theoloog, imam of paus – niemand.

Het is een heel actuele kwestie, die reikt van de vrijheid van godsdienst en de vrijheid om bijbehorende scholen te stichten, bijbehorende meningen te verkondigen, tot de ‘ongebonden spirituelen’ van de WRR.

Je kunt de mensen niet dwingen om alleen maar ‘het zoeken van de rusteloze ziel’ te honoreren en nooit een van de antwoorden te willen horen die daar in de loop van de eeuwen op gegeven zijn. Maar het zou wel een hele hoop narigheid schelen als sommige antwoorden niet bestonden of werden afgekeurd.

In Trouw schreef zaterdag de essayiste Nahed Selim dat de onverdraagzame varianten van de islam een zaak zijn van iedereen en geen privékwestie waar we tolerant tegenover moeten staan. Dat het vreemd is dat mensen allerlei beledigende en opruiende dingen mogen zeggen met een beroep op de godsdienstvrijheid. En in het nieuwe opinieweekblad Opinio stond een stuk over de toespraak van paus Benedictus XVI in Regensburg, waarin die onder meer betoogde dat een godsdienst die met geweld bekeerlingen wil maken, zoals de islam, op een lager peil staat dan een godsdienst die de mensen wil overtuigen met argumenten, en die dus de weg van de rede kiest.

De auteur verdedigde de zienswijze van de paus, zoals in september trouwens ook al in Trouw was gedaan, in een uitstekend stuk van theoloog Erik Borgman. Beide stukken betoogden dat het uitgangspunt van de onlosmakelijkheid van geloof en rede en het wezen van God, zoals de paus dat had verdedigd, van groot belang is. En de moeite waard om eens tot ons door te laten dringen.

Dan is het idee ‘privézaak’ ineens niet meer zo sterk.

Dat wat Laroui bedoelde, dat verlangen van de ziel, ja, dat is natuurlijk een privézaak. Maar het andere, het geloven wat men toevallig maar wil, het aanhangen van geschriften waarin de vreselijkste dingen staan en zeggen: het is mijn vrijheid van godsdienst om die vreselijke dingen te herhalen, dat is wat anders. Je kunt ook, zo liet de paus in zijn geleerde en scherpzinnige rede zien, een heel andere theologische traditie hooghouden, die waarin van meet af aan de redelijkheid van God een rol heeft gespeeld, en niet de willekeur, de gewelddadigheid en de tirannie.

Zulke stukken, in eerste instantie die van de paus zelf en in tweede instantie die van Erik Borgman in Trouw en van filosoof Lee Harris nu in Opinio, laten meteen ook mooi zien dat kennis van denktradities en het vermogen om te onderscheiden tussen soorten geloof en geloofsuitspraken van groot belang zijn. Dan is ook geloof een interessante intellectuele prestatie en iets waarover te praten valt, iets wat ook een beschavende invloed kan hebben. Niet alleen een kwestie van individuele beleving.

Je vraagt je alleen af hoe al die werelden bij elkaar moeten komen. De wereld van de verstandig redenerende (maar het daarom ook nog helemaal niet altijd met elkaar eens zijnde) theologen, die van de lukrake schreeuwers, die van de bigotte fanatici die op elk willekeurig moment kunnen roepen „maar er staat geschréven” en die van degenen die een intelligente ontwerper willen aannemen. Ze zijn zo enorm verschillend, in alles, in redelijkheid, in intelligentie, in gevaar.

Daarom is het sterk van de paus dat hij zo krachtig de nadruk heeft gelegd op de onverbrekelijkheid van geloof en rede, op de traditie van nadenken in plaats van met geweld iets afdwingen, maar je zag meteen al dat hij niet verstaan werd – er werd weer liever geschreeuwd over één uit de context gelicht citaat.

Het zou toch wel mooi zijn als die redelijke god wat zichtbaarder was in het publieke domein. Daarom zou het ook goed zijn als we niet steeds alle godsdiensten op één hoop zouden gooien, maar zouden willen inzien dat de ene godsdienstige traditie redelijker is en waardevoller dan de andere.

Misschien zouden we om die reden zelfs wel godsdienstles moeten gaan geven – geen lessen in geloof, maar kennis van de verschillende (denk)tradities, van de verschillende neigingen tot vredelievendheid of juist niet, tot tolerantie of juist niet. Dat kan nooit alleen maar door de heilige boeken te lezen. Daarin staat zoveel. Er is kennis van de theologie bij nodig.

En thuis of ergens buiten of zomaar in de trein, ja daar kunnen we dan soms naar „een wonder” gevoerd worden, naar een „oneindig, onbegrijpelijk en plotseling aanwezig elders”. Ieder voor zich.