Grandeur volstaat niet meer

Clingendael, kenniscentrum voor buitenlandse politiek, staat onder druk. Commerciële druk maakt de rapporten omstreden. „Als iemand ooit in Kabul is geweest, dan is hij de Afghanistan-expert.”

Rob de Wijk: opgestapt Foto HH Nederland, 20-3-2006 Rob de Wijk Foto: Jorgen Caris/HH weg bij Clingendael feb 2007 Hollandse Hoogte

Rond het Netherlands Institute of International Relations Clingendael heerst doordeweeks een welhaast arcadische rust. Het zeventiende-eeuwse landhuis aan de rand van Den Haag wordt omringd door groot landgoed, dat overdag slechts wordt doorkruist door enkele wandelaars – fitte bejaarden, in stevige wandelschoenen. Eenden en ganzen dobberen bedaard in de vijver. Hoveniers in feloranje tuinbroeken houden een rookpauze.

Dit is Clingendael zoals directeur Jaap de Zwaan het graag ziet: een prestigieus instituut met voorname uitstraling, om niet te zeggen grandeur. Een instituut waar academici zich verdiepen in internationale vraagstukken en waar buitenlandse diplomaten uit de hele wereld worden opgeleid. Een instituut dat bijna wekelijks regeringsleiders ontvangt. Een think tank voor de overheid, met gezaghebbende experts die bekend zijn van radio en tv: Maurits Berger en Edwin Bakker (terrorisme), Dick Leurdijk (de Verenigde Naties), Coby van der Linde (energiepolitiek), en – tot voor kort – militair deskundige Rob de Wijk.

Dit is Clingendael zoals het zou moeten zijn – geleerd, goed ingevoerd, met een groot internationaal netwerk. Een tikje corporaal, misschien. Joris Voorhoeve was hier nog directeur, voordat hij in 1994 minister van Defensie werd. Oud-premier Lubbers, en oud-minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek waren voorzitter van het bestuur. De afgelopen 25 jaar heeft Clingendael zijn naam gevestigd. Volgens De Zwaan behoort het instituut tot de top van Europa. „Als ik in het buitenland vertel dat ik directeur ben van het Netherlands Institute of International Relations, dat vindt men dat natuurlijk prachtig. Als ik vertel dat ik directeur ben van Clingendael, dan valt men bijkans in zwijm.”

Maar er is ook een andere verhaal te vertellen over Clingendael. Dat is het verhaal van een noodlijdend instituut, dat moet concurreren op de markt. Achter de statige façade van het buitenhuis ging jarenlang een organisatorische puinhoop schuil. „Wat ik hier aantrof, was niet al te best”, vertelt De Zwaan met enige tegenzin. Enkele maanden voor zijn aantreden in 2005 was plotsklaps aan het licht gekomen dat Clingendael aan de grond zat. De Zwaan moest reorganiseren en snoeien in het personeelsbestand. Daarna ontstond er ruzie met Rob de Wijk. In opdracht van Buitenlandse Zaken maakte De Zwaan een eind aan het Clingendael Centre for Strategic Studies (CCSS), een semi-autonoom instituut waarin De Wijk samenwerkte met TNO. De Wijk pakte zijn biezen.

In 2008 bestaat Clingendael 25 jaar. Het instituut werd in 1983 opgericht met een jaarlijkse subsidie van Buitenlandse Zaken en Defensie van 2,5 miljoen euro. Dat geld was bedoeld om het onafhankelijke instituut te laten ‘bestaan’. Uitoefenen van invloed door de departementen was uit den boze.

Clingendael had drie taken: wetenschappelijk onderzoek, onderwijs, en voorlichting. Het instituut adviseerde ook de overheid. Beroemd was het ‘diplomatenklasje’, waarin jonge ambtenaren van Buitenlandse Zaken werden opgeleid.

Het was de tijd van de Koude Oorlog, en het instituut hield zich bezig met de onderwerpen die toen belangrijk waren: wapenbeheersing, de NAVO, de Verenigde Naties. Maar in de loop van de jaren negentig maakte het instituut een „geweldige expansie” door, vertelt Fred van Staden, directeur van 1994 tot 2005. Het personeelsbestand verdubbelde bijna. Nieuwe onderwerpen kwamen op de agenda: de Europese integratie, en later, terrorismebestrijding, energiebeleid en Aziëstudies. Inmiddels neemt het instituut volgens Van Staden in Nederland een „monopolie-positie” in. PvdA-Kamerlid en buitenlandspecialist Frans Timmermans beaamt dat: „als het om buitenlandse politiek gaat, is het the only show in town”, zegt hij. „Daarmee ben je per definitie invloedrijk.”

Maar in 2005 scheef emeritus-hoogleraar Maarten Brands, oprichter van het Duitsland-instituut, een vernietigend opiniestuk voor de Volkskrant over het instituut. „Al die stukken die uit Clingendael kwamen en nergens op leken”, zegt Brands nu. „Die waren nu niet bepaald het toppunt van wetenschappelijkheid.” Het stuk werd nooit gepubliceerd. De eindredactie van de Volkskrant wilde eerst een reactie van Clingendael. Daarop trok Brands zijn verhaal in. Maar op Clingendael, waar men het artikel wél gelezen had, was de schok er niet minder om. De Tilburgse hoogleraar internationaal recht Willem van Genugten kent Clingendael goed. Hij is overwegend positief over de publicaties van het instituut. Maar Clingendael verschilt natuurlijk wel van de universitaire wereld, zegt Van Genugten. „In de huidige vorm is er weinig tijd voor echt, diepgravend onderzoek. Het is ‘u vraagt, wij draaien’. Dat kan ze nog eens gaan opbreken”

„Clingendael is een kruispunt, een marktplaats”, zegt Bart Klem. Hij werkte er drie jaar als onderzoeker. „Het is een plek waar wetenschappers, diplomaten en journalisten informatie uitwisselen.” Als media een expert nodig hebben, gaan ze naar Clingendael, zegt Klem. De expertise van het instituut is daarom breed. De keerzijde is een zekere oppervlakkigheid, zegt Klem. „Soms is onderzoek gewoon slim aan elkaar ge-googled. Als iemand ooit eens in Kabul is geweest, dan is hij al gauw de Afghanistan-expert. Je kunt het Clingendael niet verwijten: ze reageren op de vraag.”

Vrijdagmorgen, 19 januari. Een grote delegatie van het instituut Clingendael heeft plaatsgenomen op de publieke tribune van de rechtbank in Den Haag. Het instituut heeft een kort geding aangespannen tegen de staat. Volgens Clingendael is het ernstig benadeeld bij de openbare aanbesteding van tien introductieprogramma’s ‘Europese Oriëntatie’ voor rijksambtenaren. Clingendael hoort niet bij de beste drie instituten die de cursus mogen gaan geven. Dat is een grote financiële klap. Maar waarom Clingendael achter het net heeft gevist, kan de staat niet duidelijk maken, zegt advocaat Van Nouhuys. En dat terwijl Clingendael volgens Nouhuys niet de eerste de beste is: „Clingendael heeft dit onderwijs als het ware úitgevonden.”

Het mislopen van opdrachten tast de financiële gezondheid van Clingendael aan. Want ondanks de groei bleef de subsidie voor het instituut gelijk. „Clingendael werd gedwongen de markt op te gaan”, vertelt Van Staden. Vooral het geven van cursussen voor de overheid bleek lucratief: lesprogramma’s voor ambtenaren, maar ook voor diplomaten uit de nieuwe lidstaten in Oost-Europa. „De subsidie dekt nog maar een derde van de begroting”, legt de huidige directeur Jaap de Zwaan uit. „De rest moet worden inverdiend.” Tijdens de jaren negentig stroomden de opdrachten binnen. Maar toen moest de overheid bezuinigen. Hoe groot de problemen waren, bleek in 2005. Een externe accountant constateerde een gat in de begroting van meer dan een een half miljoen euro. „Het financieel management was geen schoolvoorbeeld van efficiëntie”, zegt Van Staden.

De markt kan dus een gevaarlijke plek zijn voor een eerbiedwaardig instituut. Dat blijkt uit de perikelen rond het Clingendael Institute for Strategic Studies (CCSS). De ruzie zal leiden tot het vertrek van Clingendaels meest prominente gezicht: defensiedeskundige Rob de Wijk.

Op 23 augustus 2006 heeft directeur Jaap de Zwaan een gesprek in de werkkamer van de secretaris-generaal van het ministerie van Defensie, Ton Annink. De SG van Buitenlandse Zaken Flip de Heer, is er ook. De beide topambtenaren hebben ook een lid van de Raad van Bestuur van TNO uitgenodigd: oud-marine bevelhebber Cees van Duyvendijk. Rob de Wijk zit eveneens aan tafel.

Het ‘herengesprek’ gaat over het CCSS, waar Rob de Wijk leiding aan geeft. Het CCSS is drie jaar geleden begonnen als een joint venture tussen Clingendael en TNO. Nu moet het contract worden verlengd. Het Delftse kennisinstituut ziet grote mogelijkheden in de combinatie van strategische kennis (Clingendael) en technische know how (TNO). „Een gat in de markt”, noemt Cees van Duyvendijk het. De afgelopen jaren is de samenwerking echter moeizaam geweest. TNO heeft het gevoel dat het meer geld steekt in de samenwerking, dan de partner. „We waren het niet eens over de koers. En het gevoel aan onze kant was: wij draaien voor de kosten op”, zegt Van Duyvendijk nu.

Het bestuur van Clingendael is evenmin blij. Zo is er geen inzicht in de afrekening van het instituut. Er is ontevredenheid over de ‘dubbele pettenstructuur’ met Rob de Wijk die leiding heeft aan het veiligheidsprogramma van Clingendael, én directeur is van een apart instituut. De Wijk kan voor projecten van het CCS beschikken over Clingendael-onderzoekers. Daardoor, zegt oud-minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek, tot voor kort voorzitter van het bestuur, kwamen de onderzoekers nauwelijks nog aan eigen research toe. „De kennistaak van Clingendael kwam onder druk van de commerciële gedachte”, aldus Van den Broek.

Maar vooral Jaap de Zwaan is ontstemd. Van Duyvendijk heeft in de weken daarvoor gesprekken gevoerd met Defensie en Buitenlandse Zaken. Daarbij heeft hij een vérstrekkende mogelijkheid geopperd om uit de problemen te komen: TNO neemt het instituut Clingendael gewoon over. „De aansturingsproblematiek van het CCSS had kunnen worden opgelost door Clingendael onder de koepel van TNO te brengen”, zegt Van Duyvendijk desgevraagd. „Dat was een van de opties.”

Op 28 juli heeft De Zwaan in een brief aan TNO het einde van het instituut van De Wijk aangekondigd. De Zwaan schrijft dat hij een brief heeft ontvangen van secretaris-generaal Flip de Heer van Buitenlandse Zaken. In die brief, zo schrijft De Zwaan heeft de „Secretaris-Generaal van Buitenlandse Zaken (…) verzocht de CCSS-constructie niet te continuëren, ook niet in een andere (…) vorm.” Clingendael heeft dus geen keus, schrijft De Zwaan: de subsidiegever wil het nu eenmaal zo.

Maar klopt dat? Formeel is Clingendael onafhankelijk. Het is dus niet aan Buitenlandse Zaken om zich te bemoeien met de interne bedrijfsvoering. Bovendien schrijft De Zwaan dat SG De Heer de brief „mede namens zijn collega bij Defensie” Ton Annink heeft geschreven. Tijdens het ‘Herengesprek’ doet dezelfde Annink echter zijn uiterste best om tot een compromis te komen. Een ‘commissie’ gaat de mogelijkheden tot samenwerking onderzoeken. Dat onderzoek levert niets op. „Het spijt mij”, schrijft Annink op 30 november aan De Zwaan, „dat de mogelijkheden voor voortzetting van een robuuste samenwerking tussen Clingendael en TNO ontbreken.”

Een woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken laat weten dat er overleg is geweest tussen Clingendael en het departement. Daarna is de „visie” van Buitenlandse Zaken in een brief vastgelegd. Defensie was het daar mee eens, aldus de woordvoerder.

Volgens Rob de Wijk heeft Clingendael een grote fout gemaakt door de samenwerking met het TNO op te zeggen – zijn nieuwe werkgever. Clingendael moet de adviesmarkt op, vindt hij. „Het is de enige manier. Anders vallen er ontslagen.”

Directeur De Zwaan kiest een andere weg. Wat hem betreft wordt Clingendael geen opleidingsfabriek met cursussen die anderen óók kunnen aanbieden, en ook geen ‘consultancy-bureau’ voor internationale vraagstukken. Juist het fundamentele onderzoek moet een kans krijgen, vindt hij. De Zwaan hoopt dat hij subsidie kan krijgen voor meerjarige onderzoeksprogramma’s. Clingendael moet een ‘denktank’ van de departementen worden, zegt De Zwaan. „Als je beleidsrelevant bezit wilt zijn, dan zul je contact moeten houden met de overheid, kijken wat ze bezig houdt. We moeten proberen de ontwikkelingen vóór te zijn.”