Daniel Barenboim dirigeert Mahler revolutionair anders

Concert: Berliner Staatskapelle o.l.v. Daniel Barenboim. Gehoord: 3/2 Concertgebouw, Amsterdam.

Daniel Barenboim (64) maakte zaterdagavond een verbijsterend dirigeerdebuut in het het Amsterdamse Concertgebouw. De Amsterdamse carrière van de wereldberoemde musicus Barenboim, die al op zijn zevende concerteerde als pianist, is snel verteld. In 1972 en 2002 gaf hij pianorecitals, in 2004 speelde hij voor het eerst als solist, tijdens de Kerstmatinee van het Koninklijke Concertgebouworkest.

Dat was alles, tot nu toe. Met zijn Staatskapelle Berlin bracht Barenboim in de serie ‘Wereldberoemde orkesten’ nu de Variationen für Orchester van Schönberg en de Zevende symfonie van Mahler. En de symfonie van Mahler klonk radicaal anders dan ooit is gehoord in het Mahlergebouw in de Mahlerstad Amsterdam.

De keuze voor Schönberg was al bijzonder ambitieus, want een concert met alleen de Mahler-symfonie wordt voor publiek, musici en dirigent vaak veeleisend genoeg geacht. Het eerste seriële orkeststuk van Schönberg uit de jaren 1926-’28 is na tachtig jaar door het publiek nog steeds niet echt geaccepteerd. Er was slechts plichtmatig applaus voor deze aansprekende uitvoering die duidelijk wilde breken met vooroordelen. Barenboim demonstreerde met grote inzet dat Schönberg net zo kleurrijk, bijzonder en muzikantesk kan klinken als de twee delen met ‘Nachtmusik’ in de Zevende symfonie van Mahler, volgend jaar een eeuw oud.

Maar net zo omstreden als Schönberg was en is, was Mahler dat tot voor kort voor Barenboim. In Die Welt legde hij een week geleden uit dat veel hem in Mahler irriteerde: de voortdurende citaten, de kunstmatigheid, het imiteren van straatorkestjes en fanfares, het anekdotische, de banaliteiten, stijlcitaten en koebellen. En wat hem ook tegenstond was het freudiaanse gepsychologiseer over Mahler.

Maar toen Barenboim de partituren bestudeerde, zag hij dat er veel meer in staat dan andere dirigenten laten horen en kwam hij tot de conclusie dat andere dirigenten Mahlers muziek verkeerd laten spelen. Als verschillende instrumenten dezelfde noten spelen, moet de ene luid beginnen en dan zachter gaan spelen en omgekeerd. „Vaak wordt de speelsterkte gelijkgetrokken, dat berooft de melodieën van hun aankleding of verandert ze van gezicht.”

Wat Barenboim nu liet horen, was een revolutionair andere Mahler, niet op zijn internationaal geaccepteerde Mahleriaans, maar de volgens Barenboim authentieke Mahler op zijn Barenboims. Kenmerkend zijn een fors verminderde nadruk op het emotionele en het wufte – al was in de tweede Nachtmusik nog veel weelderigs te horen – en een benadrukken van het puur muzikale, zoals de sterk aangezette ritmiek en het heftig geaccentueerde macabere in het openingsdeel.

Barenboim komt tot een sterk geïntensiveerde en gedetailleerde klank. Hij zet alles met zijn voortreffelijk spelende orkest op verbluffende wijze naar zijn hand. Hij exploiteert het effectvolle rubato ruimhartig, versnelt en vertraagt naar zijn eigen genoegen. Waar anderen de muziek in sobere passages nog verder uitbenen, legt Barenboim er juist veel extra’s bovenop. Maar elders weet hij zijn eerste violisten weer ongekend zijdezacht te laten spelen. Het resultaat was uniek en fenomenaal.

Rest de conclusie dat Amsterdam decennia lang veel heeft gemist aan de dirigent Daniël Barenboim, héél veel.

En het blijft wachten op Barenboims dirigeerdebuut bij het Koninklijk Concertgebouworkest, graag ook in Mahler.