rZpkt!

Mensen wonen dicht op elkaar in een stad. Paul Andersson Toussaint belicht elke maand een Amsterdams incident.

Twee Marokkaanse jongens lopen een bank binnen. De jongens willen een rekening openen, omdat ze hun eigen bedrijf gaan opzetten. Ze hebben een uitgewerkt businessplan bij zich, maar worden aangezien voor bankovervallers. Al snel loopt de situatie totaal uit de hand en ontaardt, tegen wil en dank, in een gijzeling van de twee autochtone bankmedewerkers. De jongens mogen roepen wat ze willen, niemand gelooft dat ze geen criminelen zijn.

Zo begint de voorstelling Daggoedays (de dagen van de hond) die eind oktober 2006 in de Meervaart in Amsterdam in première ging. De voorstelling gaat over een reeks misverstanden, ironische omkeringen, vooroordelen en stereotypen. Er wordt uitstekend geacteerd. De productie heeft veel vaart en is bovendien erg grappig.

De Marokkanen worden gespeeld door de Marokkaans-Nederlandse acteurs Fouad Mourigh en Farhane El Hamchaoui, die zelf jarenlang in het criminele milieu zaten en na verschillende veroordelingen op de Glen Mills School terecht kwamen. Door het verblijf op de school en een ontmoeting met filmmaker Theo van Gogh nam hun leven een andere wending.

Op Sinterklaasdag ontmoet ik de acteurs in de foyer van het Muziektheater, waar ze voor burgemeester Cohen en een paar honderd ambtenaren speelden.

Ze laten me een uur wachten en moeten vervolgens ook nog eerst buiten een sigaretje roken. 'Het zijn al echte artiesten, hoor', roept de PR-dame van het Muziektheater.

Farhane komt oorspronkelijk uit Den Haag, Fouad uit Papendrecht. Fouad stal zijn eerste brommertje toen hij twaalf was. Beiden maakten hun middelbare school niet af en kwamen al jong in een crimineel milieu terecht: geweld, inbraken en diefstallen, meestal in groepsverband. Farhane sloot zich aanvankelijk bij zijn Haagse bende aan 'om te chillen', om het mannetje uit te hangen. Maar op gegeven moment ging het mis en ging hij ook 'bullshit uitvreten'. Thuis was hij de ideale zoon, buiten de duivel. Hij werd van veel scholen afgetrapt en zat verschillende keren vast. De Glen Mills School was zijn laatste kans. 'Het ging zo verkeerd in mijn leven, dat ik het waarschijnlijk nooit overleefd zou hebben, weet je? Misschien was ik junkie geworden, of neergeschoten.'

De Mocro's waar ze mee optrokken, hun makkers in het kwaad, noemen ze hun 'lotgenoten'. Wat de lotgenoten bond was woede, wanhoop en een hele hoop frustratie, zegt Fouad. En die woede werd weer veroorzaakt door 'uitsluiting', het niet geaccepteerd worden. 'Je kunt je identificeren met je lotgenoten. Je wordt naar zo'n groep gedreven.'

Ik begrijp het niet. 'Je hebt jarenlang misdrijven gepleegd en je misdragen en dan word je kwaad als je wordt uitgesloten?'

Zo ligt het niet. De discriminatie was er eerst. Je hoort er niet bij. Maar tien procent misdraagt zich. En dat beeld wordt dan door de media opgeblazen. 'Door die ervaringen zijn die jongens zo focked op in hun brains, dat zij ook niet meer normaal kunnen reageren. Dat is zeker zo.'

Op de Glen Mills School kwam de ommekeer. In een bende krijg je status door fout gedrag. En hoe gevaarlijker jij uit je ogen kijkt, hoe hoger je in de pikorde staat. Op de school moesten ze respect en privileges verdienen door goed gedrag en discipline.

Begin 2004 zocht Theo van Gogh acteurs voor zijn film Cool. Hij hield audities op de Glen Mills School, waar honderden jongens op af kwamen. Farhane en Fouad werden geselecteerd en speelden in de film veel scènes met elkaar. Ze deden een ontdekking. Ze waren serieus, ze wilden door. 'Wij dachten: dit is vet man', zegt Farhane. 'Als we hierin investeren, worden we misschien weer gevraagd voor een film. En ik merkte dat er naar me geluisterd werd, weet je? Ik kon vertellen wat ik had meegemaakt. Daarvoor was ik achttien jaar een kut-Marokkaan geweest en had ik niks voorgesteld. Nu was ik belangrijk. Ze waren zorgzaam voor me. Het werkte.'

Na Cool gebeurde er zeven maanden niks. In het najaar gingen ze een keer helpen bij de catering van een VVD-congres. Daar kwamen ze Gerard Cornelisse tegen van ISH, die theaterproducties met jongeren deed. Ze maakten een afspraak en besloten een schoolvoorstelling te maken. De jongens werden gekoppeld aan toneelschrijver Dick van den Heuvel. Hij schreef in nauwe samenwerking met de acteurs de tekst van hun eerste autobiografische voorstelling rZpkt (Respect) en ook van Daggoedays. rZpkt speelde vierhonderd maal in theaters, scholen, jeugdgevangenissen en tbs-klinieken en trok in totaal vijftigduizend toeschouwers. Ze kunnen al twee jaar van hun acteerwerk leven.

Fouad en Farhane hadden hun eerste werkafspraak met Van den Heuvel op 2 november 2004, de ochtend dat Theo van Gogh werd vermoord in de Linnaeusstraat te Amsterdam. De toneelschrijver woonde vlakbij de plek van de moord. De jongens waren al over de moordaanslag gebeld, maar pas toen ze uit de tram stapten en de tientallen cameraploegen zagen, viel het kwartje. Ze werden door iemand herkend en vervolgens door verschillende cameraploegen tot aan het huis van Van den Heuvel achtervolgd. 'Het was een circus. Ze waren echt onbeschoft. Ze gingen aanbellen, zetten hun voet tussen de deur', zegt Farhane. 'Ik zal mijn leven lang aan die ochtend blijven denken. Twee jaar geleden, kende ik die hele Van Gogh niet. Door hem is mijn leven totaal veranderd. Ik kwam uit een negatieve wereld. Dan kom je vrij en wordt je vervolgens als acteur op straat herkend op de ochtend dat hij wordt vermoord. Hoe raar kan het lopen? Ik geloof niet in toeval, maar wel in het lot. Door het lot hebben wij Theo en elkaar ontmoet. Ik wil theater blijven maken met een boodschap. Als er één op de honderd gaat nadenken, ben ik al blij. Ik heb zoveel meegemaakt. Dat kan ik allemaal meegeven. Helemaal gratis!'

Tips voor deze rubriek naar stadsrumoer@nrc.nl