Column

Platbodems

Jaarlijks komen een kleine honderdduizend dagjesboeren naar onze hoofdstad om homo’s te kijken. Droeve depri-nichten hijsen zich die middag vrijwillig in tutu’s, stappen vervolgens op allerlei drijvend materiaal en joelen zich een uurtje uitbundig door de Amsterdamse grachten. Wij, bewoners van het reservaat de grachtengordel, gunnen de homoseksuele jongens en meisjes uiteraard hun eigen carnavalsfeestje, maar laten dit spektakel verder verveeld aan ons voorbij gaan. We lopen niet eens naar het raam om te kijken. Zelfs onze puberende kinderen vragen geeuwend hoe lang het nog duurt. Het geeft een hoop oponthoud en we zouden het niet erg vinden als ze zouden besluiten om een jaartje op tractoren door Sint Oedenrode te trekken. Haaksbergen mag ook.

De organisatie van deze jaarlijkse homosail heeft inmiddels door dat het echt te saai is. Het moet heftiger, geiler. Het mag wel wat meer vonken. Anders komen zelfs de Drenten niet meer. Maar hoe pimp je zo’n parade op?

In de belegde spoedvergadering was iedereen het al gauw eens dat je ze niet kan weigeren, maar dat er wel een manier moet worden gevonden om van die dikke midlife-nichten af te komen. Die strakke leren broeken, die kapiteinspetten en die nikkelen kettingen kunnen echt niet meer. Dat is nou echt een geweest beeld. Een paar bestuursleden keken op dat moment beteuterd in hun papieren en de nooit op zijn mondje gevallen Wim piepte iets in de trant van: „Je kunt het ook recht in mijn gezicht zeggen hoor schat! Ik weet zelf ook wel dat ik door de houdbaarheidsdatum heen ben.” De tranen spatten uit zijn ogen!

Al gauw ging de discussie over het reële zelfbeeld van de mens in het algemeen en de homo in het bijzonder. Mannen zijn op dit gebied blinder dan vrouwen. Potteus Amsterdam is zo verstandig om na hun vijfendertigste niks meer in het openbaar uit te trekken, laat staan dat ze met hun roestige lijven nog een beetje stram gaan staan bewegen op hun platbodems. Mannen zijn daar veel schaamtelozer in. Dat is bij de hetero’s trouwens ook zo.

Maar goed, belangrijker was dat de parade opgefrist moest worden. Hoe doe je dat? Vers vlees. Jonge matrozen! Stoute gymnasiasten! De hele tafel glimlachte vertederd. Wim begon zelfs licht te blozen. Van hem was het bekend dat hij graag naar Bangkok reisde. Ontwikkelingshulp noemde hij het altijd gekscherend en de hele bar van homocafé De Jolige Joling begon dan op elkaars dijen te kletsen.

„We importeren een roedeltje spannende Aziatische pubers en leggen ze zwoel kijkend op de voorplecht van de oude boot van Prince de Lignac”, riep Wim voor zijn beurt. Maar de rest legde hem al gauw uit dat die boot niet verder kwam dan het IJ. Het schip kon onder geen brug door.

„Misschien is het ook leuk als we er een in een koperen ketel zetten en dat Joop Braakhekke daar met een grote pollepel in roert”, opperde een wat oudere nicht, die altijd last had van dit soort humor op het randje. Er werd niet echt enthousiast gereageerd op dit stukje racisme met een knipoog.

„Nou even serieus”, bitste Wim die wist dat alles binnen de wet moest, „ik ken een zekere Danny uit Bovenkarspel, die praktiseert nog niet zo lang, heeft een goddelijk onontgonnen lijf en als we hem vragen om met een voorstel voor een juichende matrozenboot vol ongepuiste pubers te komen dan worden wij niet beticht van vieze voorstellen!”

„Dus we laten het initiatief van die Danny uitgaan?” vroeg een wat afwezige opa van bejaardenvereniging De Roze Rimpel.

„Inderdaad”, zei Wim, „dan valt het binnen de wet. Als wij het aanvragen dan zijn we vieze rukrakkers en als hij het doet dan is het jeugdige wilskracht... en we laten alles door het COC begeleiden”.

„Jottem”, kraaide een wat oudere nicht. Al gauw was de vergadering voorbij en voor ze het wisten stonden ze op de tram te wachten.

„Ik kan niet wachten”, zei Wim een beetje opgewonden en vroeg zich hardop af of het gezien de klimaatverandering geen goed idee was om vier parades per jaar te houden? Typisch Wim. Altijd woeste plannen.