Over oorlog en vrede wordt niet rationeel beslist: waarom haviken vaak winnen van duiven

Een reeks psychologische factoren maakt dat mensen in een conflict kiezen voor geweld boven praten, zichzelf en hun tegenstander verkeerd inschatten, en slecht hun verlies nemen. Een andere bril om naar Iran en Irak te kijken.

Daniel Kahneman Jonathan Renshon

Daniel Kahneman is Nobelprijswinaar economie en doceert psychologie en ‘public affairs’ aan Princeton. Hij heeft veel gepubliceerd over de psychologie van besluitvorming. Jonathan Renshon is postdoc Openbaar Bestuur aan Harvard en auteur van ‘Why leaders choose war: the psychology of prevention’ (2006).

De baaierd aan adviezen die staatshoofden in tijden van spanningen en conflicten krijgen, valt meestal in twee categorieën uiteen. Aan de ene kant staan de haviken: zij geven doorgaans de voorkeur aan krachtdadig optreden, zijn meer geneigd strijdkrachten in te zetten, en zullen eerder betwijfelen of het een goed idee is om concessies te doen. Zij ontwaren in het verre buitenland veelal onwrikbaar vijandige regimes, die maar één taal verstaan: geweld.

Aan de andere kant staan de duiven, sceptisch over het gebruik van geweld, en meer geneigd om naar politieke oplossingen te zoeken. Waar haviken bij hun tegenstanders vrijwel uitsluitend vijandigheid waarnemen, wijzen duiven dikwijls op aanknopingspunten voor een dialoog.

Waar haviken en duiven ieder hun zaak bepleiten, zou je hopen dat de politici die het beleid moeten maken, de aangevoerde argumenten op hun merites beoordelen en ze zorgvuldig tegen elkaar afwegen alvorens tot actie over te gaan. Vergeet het maar. Volgens de moderne psychologie zijn beleidsmakers al bij voorbaat geneigd de haviken onder hun adviseurs meer gehoor te schenken dan de duiven. Met politiek of strategie heeft dat niets te maken. De menselijke geest is van nature gepredisponeerd voor de overtuigingen en de voorkeuren van de haviken.

Sociaal- en cognitieve psychologen hebben een aantal voorspelbare fouten – psychologen spreken van biases – geconstateerd in de manier waarop mensen situaties beoordelen en risico’s taxeren. Dergelijke biases zijn zowel in het laboratorium als in de echte wereld aangetoond, merendeels in situaties die geen verband houden met de internationale politiek. Zo slaan mensen hun capaciteiten gemakkelijk te hoog aan: zo’n tachtig procent beschouwt zich als een bovengemiddeld goed chauffeur. Waar conflicten dreigen, zijn politici en generaals door dezelfde bias eerder geneigd te luisteren naar adviseurs die de uitkomst van een oorlog rooskleurig voorstellen. In een conflict speelt die houding vaak beide partijen parten, met al snel rampzalige gevolgen.

En dit is maar één voorbeeld uit vele. Toen wij een lijst opstelden van de biases die in veertig jaar psychologisch onderzoek aan het licht zijn gebracht, waren tot onze verbijstering alle biases op onze lijst in het voordeel van de haviken. Door deze psychologische effecten – waarvan we in dit artikel maar een paar zullen noemen – overdrijven politieke leiders de kwade bedoelingen van tegenstanders, schatten zij verkeerd in hoe de tegenstanders hén zien, zijn zij ál te optimistisch wanneer de vijandelijkheden uitbreken, en zijn zij onvoldoende bereid om bij onderhandelingen concessies te doen. Het zijn allemaal factoren die het uitbreken van oorlogen bevorderen en het sluiten van vrede bemoeilijken.

Hiermee wil niet gezegd zijn dat de haviken het altijd mis hebben. Denk aan het debat tussen haviken en duiven in Groot-Brittannië voor de Tweede Wereldoorlog, dan is wel duidelijk dat de duiven historisch gezien gemakkelijk de verkeerde keuze kunnen maken. In het algemeen zijn er argumenten om consequent te kiezen voor een havikachtige benadering. Zo is het volstrekt redelijk om meer dan vijftig procent zekerheid te eisen alvorens toezeggingen van een gevaarlijke tegenstander te accepteren. Maar de door ons onderzochte biases gaan verder dan dit soort verstandige gedragsregels, en ze zijn niet het resultaat van een serieuze afweging. Wij zeggen niet dat de haviken onder de adviseurs het per se fout hebben, wel dat zij doorgaans overtuigender overkomen dan ze verdienen.

Bij een aantal laboratoriumonderzoeken is gekeken hoe mensen de intelligentie, de bereidheid tot onderhandelen en de vijandigheid van hun tegenstrever taxeren, en hoe ze hun eigen positie zien. De bevindingen zijn ontnuchterend. Zelfs wanneer mensen zich bewust zijn van de context en van de beperkte armslag van de andere partij, houden zij daar bij de beoordeling van de motieven van de ander dikwijls toch geen rekening mee. Maar ze nemen wél aan dat mensen die hén waarnemen, de beperkingen aan hun gedrag wél onderkennen. Dat is een instinct dat leiders niet uit het oog mogen verliezen wanneer de legers klaarstaan voor de strijd.

Stelt u zich eens voor in dat u een aantal studenten moet observeren die toespraken houden over het beleid van de Venezolaanse leider Hugo Chávez. Er is u van tevoren gezegd dat sommige studenten was opgedragen Chávez aan te vallen, andere om hem te verdedigen – het was niet hun persoonlijke keuze. Stel nu dat u vervolgens gevraagd wordt de politieke voorkeuren van die studenten te taxeren. Slimme waarnemers zouden uiteraard bij hun beoordeling rekening houden met de context. Een studente die een enthousiast verhaal pro-Chávez afstak deed alleen maar wat haar was opgedragen, zonder te laten blijken wat ze werkelijk vond. Maar veel experimenten tonen aan dat een ruime meerderheid de pro-Chávez-sprekers als linkser zou beschouwen. Zelfs al is mensen gewezen op de context waarmee zij rekening zouden moeten houden, dan nog gebeurt dat doorgaans niet. In plaats daarvan schrijft men het waargenomen gedrag toe aan de aard van die persoon, zijn karakter of zijn motieven. Deze bias is zo taai en wijdverbreid dat sociaal-psychologen er een fraaie naam voor hebben bedacht: fundamental attribution error – een fundamentele toeschrijvingsfout.

In conflictsituaties kan dit kwalijke gevolgen hebben. Een beleidsmaker of diplomaat die betrokken is bij gevoelig overleg met een buitenlandse regering, zal naar alle waarschijnlijkheid bij de vertegenwoordigers van dat land allerlei vijandig gedrag waarnemen. Voor een deel kan dat gedrag inderdaad voortvloeien uit diepgewortelde vijandigheid, maar deels is het gewoon een reactie op de actuele situatie zoals de andere partij die waarneemt. De ironie wil dat personen die andermans optreden toeschrijven aan diepgewortelde vijandigheid, hun eigen optreden hoogstwaarschijnlijk zullen afdoen als een gevolg van het feit dat ze door een tegenstander ‘in het nauw gedreven zijn’.

De neiging van beide partijen in een conflict om het eigen gedrag op te vatten als een reactie op het provocerende optreden van de ander, is een bekend trekje van echtelijke ruzies, maar treedt ook op in internationale conflicten. In de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog beschouwden de leiders van alle landen die weldra met elkaar in oorlog zouden zijn, zichzelf als veel minder vijandig dan hun tegenstanders.

Zijn mensen dus veelal slecht toegerust om het gedrag van hun tegenstanders te verklaren, ze begrijpen ook slecht hoe zij zelf bij anderen overkomen. Dat kan tot uiting komen in kritieke fasen van internationale crises, wanneer signalen zelden zo ondubbelzinnig zijn als diplomaten en generaals denken.

Neem de oorlog in Korea – zomaar een voorbeeld van hoe verkeerde beeldvorming en onjuiste taxatie van het oordeel van de tegenstander over onze bedoelingen, de haviken in de kaart kunnen spelen. In oktober 1950, toen de strijdkrachten van de coalitie snel oprukten op het Koreaanse schiereiland, debatteerden beleidsmakers in Washington over de vraag hoe ver ze moesten oprukken en hoe de reactie van China zou kunnen uitvallen. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Dean Acheson, was ervan overtuigd dat „in de hoofden van de Chinese communisten niet de geringste twijfel zou bestaan omtrent het feit dat de strijdkrachten van de Verenigde Naties geen dreigende bedoelingen hadden’’. Omdat de Amerikaanse leiders wisten dat zij jegens China geen kwade bedoelingen hadden, namen zij aan dat de Chinezen dat ook wisten. Daardoor kon Washington niet begrijpen dat de Chinese interventie een reactie op een (waargenomen) dreiging was. In plaats daarvan vatten de Amerikanen de Chinese reactie op als een uiting van vijandschap jegens de Verenigde Staten. Enkele historici menen nu dat de Chinese leiders de oprukkende geallieerde troepen mogelijk inderdaad als een gevaar voor hun regime hebben gezien.

Een andere belangrijke bias die psychologen hebben gevonden, is overdreven optimisme. Psychologisch onderzoek heeft uitgewezen dat een ruime meerderheid van de mensen zichzelf als bovengemiddeld slim, aantrekkelijk en begaafd beschouwt, en dat zij hun toekomstig welslagen gedurig overschat. Mensen lijden ook aan een illusion of control, de illusie dat zij de zaak in de hand hebben: zij overschatten systematisch hun invloed op gebeurtenissen die voor hen van belang zijn – ook als die gebeurtenissen in feite door het toeval of door andere factoren worden bepaald. Het valt niet moeilijk in te zien dat deze fout de Amerikaanse beleidsmakers op een dwaalspoor heeft gebracht bij de voorbereidingen voor de huidige oorlog in Irak.

Het is zelfs zo dat juist in de aanloop naar een conflict de neiging tot optimisme groot is en de ‘illusion of control’ sterk. De havik geeft meestal de voorkeur aan militair optreden boven diplomatieke stappen omdat hij rekent op een snelle en gemakkelijke overwinning. De voorspellingen dat de oorlog in Irak ‘een fluitje van een cent’ zou zijn, zoals enkele voorstanders van de aanval meenden, zijn slechts de jongste voorbeelden in een lange reeks ondeugdelijke voorspellingen van haviken. De elite in Washington vatte indertijd de eerste grote veldslag van de Amerikaanse Burgeroorlog op als een gezellig uitje, zo zeker wist zij dat de federale troepen de rebellen vernietigend zouden verslaan. Generaal Noel de Castelnau, de Franse chef-staf bij het begin van de Eerste Wereldoorlog, verklaarde: „Geef mij 700.000 man en ik verover Europa.’’ En niet alleen hij, maar vrijwel alle leidende figuren in wat de tot dan toe meest verwoestende oorlog uit de geschiedenis zou worden, voorspelden niet alleen een overwinning voor hun partij, maar zelfs een betrekkelijk snelle en gemakkelijke overwinning. Die zinsbegoochelingen en overdrijvingen kunnen niet worden afgedaan als het gevolg van onvolledige of onjuiste informatie. Vóór het begin van ieder militair conflict zul je altijd optimistische generaals vinden, gewoonlijk aan beide kanten.

Tegenover het optimisme waarmee men als regel zijn eigen kansen in een gewapend treffen beoordeelt, staat doorgaans een somber oordeel over de concessies van de tegenpartij. Psychologisch zijn wij niet alleen ontvankelijk voor de argumenten die haviken aanvoeren vóór de oorlog, maar ook voor hun argumenten tégen onderhandelingen. Het gevoel dat iets minder waard is alleen omdat de andere partij dat heeft voorgesteld, staat in academische kring bekend als de reactive devaluation. Juist het feit dat een concessie afkomstig is van iemand die wij als de vijand zien, ondermijnt de inhoud van het voorstel. Wát er wordt gezegd doet er minder toe dan wíe het zegt.

Daarom kun je ook verwachten dat de Amerikaanse beleidsmakers zeer sceptisch zullen staan tegenover iedere concessie van het regime in Teheran. Die scepsis kan voor een deel een rationeel uitvloeisel zijn van vroegere ervaringen, maar zij kan voor een deel ook voortkomen uit de onbewuste – en niet noodzakelijkerwijs rationele – devaluatie.

Er zijn aanwijzingen dat deze bias een belangrijk struikelblok is bij onderhandelingen. Bij een experiment beoordeelden Israëlische joden een in werkelijkheid Israëlisch plan minder gunstig toen het aan de Palestijnen werd toegeschreven dan toen hun eigen regering als bedenker werd genoemd. Pro-Israëlische Amerikanen zagen een hypothetisch vredesvoorstel als partijdig voor de Palestijnen wanneer die als indieners werden genoemd, maar als ‘neutraal’ wanneer het aan de Israëliërs werd toegeschreven.

Het is duidelijk dat wanneer staatslieden worstelen met kwesties van oorlog en vrede, de haviken vaak de overhand hebben. En hun sterke startpositie vervliegt niet zomaar wanneer de eerste kogels zijn afgevuurd. Terwijl de strategische calculaties dan gaan over veroverd of verloren gebied en aantallen slachtoffers, doet een nieuwe eigenaardigheid van de wijze waarop mensen besluiten nemen haar intrede: onze diepgewortelde weerzin om een verlies of nederlaag te accepteren.

Neem bijvoorbeeld de keuze tussenoptie A: een stellig verlies van 890 euro en optie B: 90 procent kans om 1.000 euro te verliezen en 10 procent kans om niets te verliezen.

In deze situatie zullen de meeste mensen liever de gok wagen en optie B kiezen, terwijl de andere keuze statistisch de voorkeur verdient. Mensen verkiezen een mogelijk verlies boven een zeker verlies, ook al maken ze daarbij kans op een heel wat groter verlies. Wanneer het in een conflict tegenzit, is de kans groot dat de verliezende partij zich laat leiden door de onwil om haar verlies te nemen – vaak nog verergerd door wishful thinking.

Door deze mengelmoes van factoren duren conflicten vaak tot lang na het moment waarop voor een nuchtere waarnemer de afloop al zo goed als zeker is. Er zijn andere factoren die deze ontwikkeling verder versterken, zoals het feit dat voor de leiders die hun land tot aan de rand van de nederlaag hebben gebracht, de gevolgen van opgeven doorgaans niet erger zullen worden als ze de strijd voortzetten – al worden ze dat wel voor hun burgers.

In Vietnam hebben de Amerikaanse beleidsmakers vaak voor dit dilemma gestaan, en nu staan ze er opnieuw voor in Irak. Wie zich nu terugtrekt, accepteert een onloochenbare nederlaag, en dat is een hoogst onaantrekkelijke optie. Daarbij vergeleken is volhouden relatief aantrekkelijk, ook al is de kans op succes klein en zijn de kosten van het uitstel van de mislukking hoog.

Haviken kunnen veel momenten in de jongste geschiedenis aanwijzen waarop tegenstanders onwrikbaar vijandig waren en waarop geweld tot het gewenste resultaat heeft geleid, of al veel eerder had moeten worden toegepast. De sterke aanwijzingen voor een psychologische voorkeur voor agressieve resultaten kunnen het eeuwige debat tussen de haviken en de duiven niet beslechten. Ze kunnen de internationale gemeenschap geen duidelijk houvast bieden inzake Iran of Noord-Korea. Maar inzicht in de ingewortelde neigingen van de meeste mensen kan er altháns toe bijdragen dat de haviken niet méér discussies winnen dan hun toekomt.

© Foreign Policy