Opera als podcast of ringtone

Het publiek van de New Yorkse Metropolitan Opera sterft langzaam uit. De nieuwe directeur zoekt de verjonging en zendt zijn voorstellingen nu live uit in Amerikaanse bioscopen.

In een bioscoop in San Francisco wordt een voorstelling van de Metropolitan Opera live uitgezonden. (Foto Claudia van Rouendal) Rouendal, Claudia van

Er staat een man onder een palmboom bij de bioscoop in een randgemeente van San Francisco, en hij sist naar de 64-jarige Valerie Doyle. „Ik houd niet van ronselen”, zegt hij tegen de geschrokken dame. „Maar wilt u misschien een kaartje kopen?”

Doyle is al voorzien voor deze voorstelling van zaterdagochtend half elf. Ze staat in de rij van gelukkigen die een kaartje wisten te bemachtigen voor de live uitzending van de New Yorkse Metropolitan Opera, 4.700 kilometer en drie uur tijdsverschil verderop. „Een briljante vondst, opera live uitzenden in de bioscoop”, vindt ze. „Het geluid is hier vast beter dan wanneer ik bij de opera op het balkon zit. Zie ik ook eens de kostuums en Plácido Domingo’s make-up.”

Doyle voldoet aan het profiel van de gemiddelde bezoeker van de Metropolitan Opera, Amerika’s invloedrijkste operahuis. Ze is begin zestig, hoog opgeleid, blank. Niet dat ‘het Met’, zoals het instituut vol respect genoemd wordt, haar niet wil hebben als bezoeker, maar de vorig jaar aangetreden directeur Peter Gelb ziet zijn publiek liever verjongen: „We zijn artistiek geïsoleerd en de band met de wereld om ons heen is verloren geraakt.”

Gelb ziet de oplossing in afscheid nemen van de gezapigheid die opera omgeeft. Hij is bezig in hoog tempo innovatieve veranderingen door te voeren, die overal de aandacht trekken in de operawereld, waar producties vaak seizoenen tevoren worden vastgesteld. Zo ontbindt hij contracten met zangers die op het podium te statisch zijn. Hij huurt regisseurs uit de theater- en filmwereld in om de voorstellingen aantrekkelijker te maken. Hij wil concerten als podcasts via internet verspreiden en biedt ringtones van Met-artiesten aan voor mobiele telefoons. Hij geeft muzikanten en componisten zoals popzanger Rufus Wainright en jazzmusicus Wynton Marsalis opdrachten om opera’s te componeren. En hij verhoogt het aantal producties van vier naar zeven per jaar.

In september gaf Gelb New Yorkers gratis toegang tot de generale repetitie van de opera Madame Butterfly, waarvan de première daarna op gigantische schermen op Times Square werd vertoond. Dit seizoen laat hij zes verschillende voorstellingen live uitzenden in high definition en surround sound in meer dan honderd bioscopen verspreid over de Verenigde Staten, plus een paar in Japen en Europa.

De zestien jaar van zijn illustere voorganger Joseph Volpe waren potentieel dodelijk voor het operahuis, zei Gelb met zoveel woorden tijdens een openbaar interview met hem, vorige maand in New York. „Verwacht niet dat alles wat ik doe succesvol is. Maar ik probeer het in ieder geval.”

Gelb (1953) was in zijn tienerjaren plaatsaanwijzer bij de Metropolitan Opera, werd later manager van klassieke artiesten en uiteindelijk bestuurder van het grote platenlabel Sony Classical. De nieuwe directeur erft een budget van 220 miljoen dollar (170 miljoen euro) waarop een verlies van vijf miljoen dollar per jaar wordt geleden. De zaal met vierduizend stoelen is zelden uitverkocht. Sinds de aanslagen van 2001 is de bezettingsgraad structureel te laag, met een dieptepunt van 77 procent. Gelbs antwoord hierop is de kaarten zowel in prijs verhogen als verlagen. Een pakket van acht stoelen op een premièreavond kost – inclusief diner – 50.000 dollar, terwijl de goedkoopste kaarten nu 15 dollar zijn.

Het gevaar van Gelbs innovaties is dat hij zijn vaste kern van bezoekers verliest. Zij vrezen voor dumbing down van de uitvoeringen en vinden dat Broadwaypraktijken op Broadway horen. Niet in hun zo geliefde ‘Big House’. „Sommige van onze vaste klanten vrezen zelfs voor eurotrash”, schetst Gelb het niveau van het verzet. Het toegankelijk maken door Europese operahuizen van de laatste jaren is ook hem te ver gegaan, zegt hij. Dat is ook weer niet de bedoeling.

„Ik begrijp niet wat mensen tegen het moderniseren van opera’s hebben”, zegt een van Amerika’s bekendste operasterren, Renée Fleming, tijdens hetzelfde openbaar gesprek. Ze bedoelt: aanpassingen kunnen helpen een jonger publiek te trekken. En het benadrukken van het theatrale aan een stuk – minder handbewegingen, meer acteren – spreekt haar als zangeres ook aan. „Dan voel ik me niet zo naakt op het podium.”

Al met al is het „koorddansen”: innoveren en tegelijkertijd de vaste maar behoudende kern niet van ‘het Met’ vervreemden. De term komt van Gelb. Hij probeert er een grapje van te maken. „Loyale fans zijn opgelucht dat ik hun operahuis nog niet heb vernietigd.” In ieder geval is de kaartverkoop, een van zijn belangrijkste graadmeters, volgens hem „aanzienlijk” toegenomen.

Het overwegend oudere publiek in de uitverkochte bioscoop bij San Francisco toont zich in ieder geval enthousiast. Bij de vroege zaterdagochtenduitvoering van de nieuwe opera The First Emperor, over de heerser en bouwer van de Chinese Muur Qin Shi Huangdi, wordt niet met popcorn geritseld. Wel applaudisseert de bioscoopzaal als de Spaanse hoofdrolspeler Plácido Domingo het podium betreedt – op zes uur vliegen verderop – en bewaren de bezoekers hun gehoest tot het einde van elk bedrijf.

De jongste bezoeker is misschien wel Alex Karimzad, dertien jaar. Hij was nog nooit naar een opera geweest, en zei, „you know, like”, geen „operapersoon” te zijn. Waarom dan toch hier? Hij wijst. „Het is zijn verjaardag.” Vader Karimzad is 62 geworden.

Data en locaties van de bioscoopvoorstellingen staan op metoperafamily.org.