Kijk maar, een broek heeft twee pijpen

Het is crisis in het onderwijs, volgens velen dankzij opeenvolgende vernieuwingen. Nu is er weer het ‘competentiegericht leren’. „Ik zou weer les willen krijgen volgens het oude leren.”

Marilyn Jimenez (19) is haar houvast kwijt. Vorig studiejaar ging ze nog met plezier naar school. Maar sinds augustus is het schoolprogramma gewijzigd en is alles anders geworden.

Het afgelopen jaar is het competentiegericht leren ingevoerd op haar school, het ROC Flevoland in Almere. Wat dat betekent? Dat ze nog maar zo’n tien uur per week les krijgt. In die lessen staan docenten niet voor de klas, maar lopen ze erdoorheen, en geven uitleg aan leerlingen die daarom vragen. De rest van de week worden de leerlingen geacht zelfstandig te werken, aan opdrachten, in groepjes. Maar de docenten weten vaak niet wat de scholieren moeten doen, lessen vallen uit en dossiers worden niet bijgehouden. „Er moet ergens een map van mij liggen”, zegt Jimenez, „maar ik heb hem nog nooit gezien.”

Eind november 2006. Ze zit samen met drie klasgenoten in een werkruimte van school, met glazen wanden. Het viertal volgt de opleiding tot secretarieel medewerker op het ROC Flevoland. Injela Zamani (20) vindt het belachelijk dat ze zo weinig les krijgen. „Ik stel me bij een schooldag een dag voor met lessen van half negen tot drie uur, of half vier. Ik heb toch collegegeld betaald voor een fulltime opleiding?”

„Ik heb dit jaar nog niets geleerd dat ik nog niet wist”, zegt Stéphanie Meijer (18). Jimenez wijst naar de andere kant van het glas waar tientallen jongeren aan ronde tafels met computers werken. Het is er rumoerig. „Dit waren vroeger lokalen waar klassikaal les gegeven werd. In de zomer zijn ze verbouwd tot een groepsruimte.”

Sindsdien is de school een bestuurlijke wanorde, vinden de meisjes. „Mijn motivatie is helemaal weg”, zegt Jimenez. „Ik zou na deze opleiding nog vier jaar doorleren op het hbo. Maar ik stop nu met school als ik mijn diploma heb. Ik ga werken en doe daarnaast dan wel een opleiding.”

De leerlingen van het ROC in Almere zijn niet de enige scholieren die klagen. Het is crisis in het onderwijs – en dat wordt hoe langer hoe duidelijker. Overal in het land verzetten scholieren van mbo en hbo zich tegen het lesprogramma. Begin november van het vorig jaar kwamen leerlingen van het Friesland College in Heerenveen in opstand tegen het gebrek aan roosters en lesuren. Kort daarop schreven honderd leerlingen op het ROC Midden Nederland in Utrecht een brief naar de minister over de slechte kwaliteit van de opleiding informatica. De dames van ROC Flevoland schreven kort daarop een brief naar de IB-Groep waarin ze hun collegegeld terugeisten. Vorige week trokken studenten en scholieren naar Den Haag om een petitie aan te bieden aan de staatssecretaris van Onderwijs, Bruno Bruins. De actie was een initiatief van de scholieren- en studentenbonden LAKS, JOB en LSVb.

De klachten komen steeds op hetzelfde neer: de scholieren willen meer lessen. „En dan geen lege lessen zonder docent om het rooster op te vullen, maar inhoudelijke lessen waarbij we uitgedaagd en geprikkeld worden”, zo schreven ze in hun petitie. Ze vinden dat ze nu te veel zelfstandig moeten bepalen hoe hun schoolweek eruit ziet. Dat ze te weinig kennis opdoen. Wat de scholieren met elkaar gemeen hebben, is dat ze les krijgen volgens het principe van het competentiegericht leren.

De klachten hebben succes gehad. Deze week werd bekend dat Hans van Nieuwkerk de verplichte invoering van het competentiegericht leren in het mbo een jaar wil uitstellen. Van Nieuwkerk is voorzitter van de stichting procesmanagement herontwerp die door het ministerie is aangesteld om de invoering van het competentiegericht leren in goede banen te leiden. Het competentiegerichte leren zou in 2008 verplicht worden op het mbo. Maar na de protesten van vorige week wil staatssecretaris Bruins gaan praten met de onderwijsinstellingen. Hij is „bereid tot uitstel”, zo zei hij dinsdag. „Maar hij moet nog wel overtuigd worden”, zegt zijn woordvoerder.

Wie probeert na te gaan wat onder competentiegericht leren verstaan wordt, belandt in een brij van jargon. „Responsief vakmanschap”, „ketenbenadering” en „praktijkgestuurde opdrachten” zijn daarvan voorbeelden.

Het komt erop neer dat bij competentiegericht leren de nadruk ligt op zelfstandig werken, op het aanleren van de juiste werkhouding en het aanleren van vaardigheden (competenties) die later op de werkvloer kunnen worden ingezet. Voorbeelden van competenties zijn presenteren, analyseren en samenwerken. Docenten zijn in het competentiegerichte leren meer begeleiders dan klassikale leiders van het onderwijsproces. Bedoeling is dat scholieren kennis in de praktijk leren toepassen.

De scholierenbonden wantrouwen die motivatie. Het competentiegericht leren is volgens hen voor veel scholen een manier om te bezuinigen op docenten. Voor zelfstudie zijn immers geen docenten nodig. „Bij veel opleidingen is het aantal contacturen tussen docent en leerling gedaald en worden roosters gevuld met zelfstudie, verplichte excursies en ander goedkoop tijdverdrijf”, zo schrijven zij in hun petitie.

Hans de Boer, voorzitter van de taskforce jeugdwerkloosheid, ziet het competentiegerichte leren als een van de oorzaken van het feit dat jaarlijks duizenden jongeren de school zonder diploma verlaten. „Competentiegericht leren is de dood in de pot voor tienduizenden jongeren die het in het onderwijs niet zelfstandig redden”, zegt hij. „Niet iedereen kan zelfstandig werken. Heel veel jongeren hebben gewoon strenge begeleiding nodig.”

Competentiegericht leren valt onder het containerbegrip ‘het nieuwe leren’. Het is zo’n vijftien jaar geleden ontstaan na klachten uit het bedrijfsleven dat opleidingen van scholieren niet aansloten op de praktijk. Eind jaren negentig gaf toenmalig minister van Onderwijs Loek Hermans (VVD) de kenniscentra van het bedrijfsleven, zoals Kenteq voor technisch vakmanschap en ECABO voor economisch/administratieve, ict- en veiligheidsberoepen, de opdracht samen met het onderwijs competenties vast te stellen waar een afgestudeerde mbo’er in elke sector aan moet voldoen. „Vervolgens maken de mbo’s binnen die kaders hun lesprogrammma’s, zoeken er passende werkvormen bij en organiseren het onderwijs. Hoe, dat verschilt per school”, zegt directeur Ben Rijgersberg van het Colo, de vereniging van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

In 2004 besloot toenmalig Onderwijs-staatssecretaris Mark Rutte (VVD) het competentiegericht leren vanaf 2008 verplicht te stellen op het mbo. Sindsdien experimenteren scholen ermee. Momenteel werken 120.000 mbo-leerlingen (een kwart van het totaal) volgens de nieuwe methode.

In theorie is er niets mis met het competentiegericht leren, zegt Ankie Verlaan in haar werkkamer in het Maagdenhuis in Amsterdam. „Het leert leerlingen kennis toepassen in de praktijk.” Verlaan is lid van het college van bestuur van de Hogeschool en de Universiteit van Amsterdam. Daarvoor was ze bestuurder van ROC Amsterdam en was ze onder meer werkzaam op het ministerie van Onderwijs.

Een nieuwe manier van leren was nodig, zegt Verlaan. Want er zit tegenwoordig een ‘heel andere populatie’ in de schoolbanken, dan in de jaren vijftig en zestig. „In de jaren vijftig ging je als bijna-analfabeet na een paar jaar lagere school de arbeidsmarkt op. Tegenwoordig zit die groep, door verlenging van de leerplicht, op school. Die populatie vraagt een heel andere benadering dan de oude hbs-scholier. Je moet ze veel praktijkgerichter aanspreken.” Margo Vliegenthart, voorzitter van de mbo-raad, zegt dat de vroegere „docent die met een krijtje voor het bord uitlegt hoe de wereld in elkaar zit” niet meer in staat is deze jongeren te motiveren.

Verlaan geeft een voorbeeld, uit de tijd dat ze nog op een streekschool in Gouda Engels gaf. Ze vertelde de klas dat het Engelse woord voor broek, ‘trousers’ was. „Ze staarden me glazig aan. ‘Waarom is het niet ‘trouser’, zei iemand. ‘Het is toch ook enkelvoud in het Nederlands: broek’. Ik ben toen naar het kledingmuseum met ze gegaan. Om te laten zien wat broeken zijn en hoe ze vroeger gemaakt werden. En dat zo’n broek uit twee pijpen bestond, meervoud dus. Daarna gingen ze heel enthousiast aan het werk.” Die praktijkgerichte aanpak, dat is competentiegericht leren. En dat gaat op heel veel scholen heel erg goed, zeggen Verlaan en Rijgersberg.

Waar het misgaat, op heel veel opleidingen, is bij de invoering. En dan vooral bij de docenten, zegt Verlaan. Want niet alleen leerlingen moeten worden begeleid bij de omschakeling naar competentiegericht leren, maar ook docenten. Verlaan: „Maar daar is vaak geen tijd voor.”

Wat ook een beetje vergeten is bij de invoering van competentiegericht leren, zegt Verlaan, is het lerarentekort. „Bij haar aantreden zei minister Maria van der Hoeven ‘je mag me afrekenen op het lerarentekort’. Maar ze heeft het niet opgelost. Dat is de ramp op dit moment. Want bij competentiegericht leren, moet je voor elke scholier een persoonlijk begeleidingsplan maken. De één moet elke dag grammatica krijgen, de ander kan al zelfstandiger schrijven. Voor elke leerling moet je maatwerk ontwikkelen. Het is heel ingewikkeld daar een rooster voor te maken. Bovendien heb je een team van docenten nodig die samenwerken. Die de programma’s van al die leerlingen op elkaar afstemmen. Eigenlijk heb je twee keer zoveel leraren nodig om de overgang naar competentiegericht leren te begeleiden.”

In werkelijkheid werken scholen wegens kostenbesparingen vaak met stagiairs of onbevoegde docenten bij de invoering van competentiegericht leren. Maar, zegt Verlaan: „Competentiegericht leren is te ingewikkeld voor stagiairs.”

Zo worden heel veel vernieuwingen in het onderwijs bij de scholen ‘over de schutting geflikkerd’ met de mededeling ‘zoek het verder maar uit’, zegt Verlaan. „Terwijl implementatie van een idee belangrijker is dan het bedenken ervan.”

Niet alleen docenten vormen een probleem. Volgens Ben Rijgersberg, directeur van de kenniscentra, hebben de scholen waar het met het competentiegericht onderwijs spaak loopt, ook problemen met het management van de school. „Het is jammer dat lesuitval en gebrek aan begeleiding worden gepresenteerd als gevolgen van de overgang naar competentiegericht leren, terwijl het problemen zijn die worden veroorzaakt door gebrekkig management.”

Ronald Wilcke, voorzitter van het college van bestuur van ROC Flevoland, de school waar Marilyn Jimenez haar opleiding volgt tot secretaresse, wil best toegeven dat niet alles goed gegaan is bij de invoering van het competentiegericht onderwijs op zijn school. Wilcke noemt het daarom ook liever geen ‘competentiegericht onderwijs’ meer. „Dat heeft hier zo’n slechte naam gekregen. We noemen het hier nu ‘actief praktijkleren’.”

Het management van de school heeft zich hier en daar „vertild aan de overgang”, zegt Wilke. Kernprobleem: communicatie. „Tussen docenten onderling en tussen docenten en leerlingen en tussen docenten en directie.” En daar komt het verwachtingspatroon dat studenten hebben nog bij. „Ze willen geen tussenuren waar ze zelfstandig moeten werken. Ze willen elke dag zeven uur les, met een docent voor de klas. Maar dat kan geen enkele ROC leveren. Daar is geen geld voor.”

De school is de dames van de secretaresseopleiding tegemoetgekomen. Ze zijn op stage. Eigenlijk moet dat vijf dagen in de week, maar nu komen ze één dag in de week terug naar school om de gemiste lessen in te halen. Injela Zamani vindt dat een goede oplossing.

Ook op het ROC Albeda is het niet vlekkeloos gegaan, zegt Piet Boekhoud, voorzitter van het college van bestuur van het Rotterdamse Albeda College. „We hebben iets belangrijks over het hoofd gezien bij de invoering van het competentiegericht leren, namelijk: de leerlingen.” Boekhoud zwierf de afgelopen drie zomervakanties door Rotterdam om gesprekken te voeren met jongeren over hun leven en hun mening over school. „De afstand tussen school en de leerlingen is te groot. Veel van mijn leerlingen hebben ‘een vlekje’, ze hebben houvast nodig en duidelijkheid. Voor hen is de zelfstandige component uit het competentiegericht leren een brug te ver. We denken met zijn allen dat jongeren van zestien, zeventien, achttien volwassenen zijn, maar dat is niet zo. We moeten deze leerlingen nog steeds opvoeden.”

Sinds die gesprekken afgelopen zomer pakt ROC Albeda het anders aan, zegt Boekhoud. „We bekijken het nu per leerling.” Daarmee is het probleem van de invoering van het competentiegericht leren in volle omvang zichtbaar geworden: het vergt een enorme inspanning van school en docenten als je het goed wilt doen. Als je het half doet, of met te weinig geld, mislukt het.

De noodsituatie beperkt zich niet tot het mbo. Ook in het hoger beroepsonderwijs (hbo) wordt het competentiegerichte leren hier en daar, vrijwillig, ingevoerd. Op sommige opleidingen is de nood inmiddels hoog, zegt Heiliana Flores Guido (24), derdejaars studente aan de lerarenopleiding van de Hogeschool Utrecht. Bijvoorbeeld op de lerarenopleiding waar Guido studeert. „Een ramp”, zegt ze. „We worden voorbereid om begeleiders te worden, in plaats van leraren.”

Tijdens stages van de lerarenopleiding geeft Flores Guido les aan meisjes als Injela, Cheralda, Stéphanie en Marilyn. Ze moet les geven volgens het competentiegericht leren, maar op haar eigen opleiding krijgt ze zelf ook competentiegericht onderwijs. Gevolg: stagedocent en leerling staan met de mond vol tanden tegenover elkaar.

„Tijdens mijn vorige stage werd me verteld door de schoolleiding dat ik de scholieren die ik lesgeef geen structuur mag geven”, zegt Flores Guido. „Ze moesten daar zelf aangeven of ze Engels en Nederlands wilden leren en hoe. Ik mocht het ze niet aanbieden. Maar als ik hun vraag wat ze willen leren, zeggen ze ‘Engels’. Als ik vervolgens vraag ‘hoe dan’, weten ze het niet. Het liefst zou ik zelf lessen ontwerpen en klassikaal lesgeven. Maar dat mocht ik niet. Dat was veel te moeilijk voor deze leerlingen die analfabeten zijn, zo zei de teamleider van de school.”

De meeste leerlingen op het mbo zitten voortdurend op hun ‘coach’, de nieuwe term voor docent, te wachten, zo ziet Flores Guido tijdens haar stage. „De meeste tijd zitten ze te msn’en of sms’en.” Er is ook veel ruzie in de klas. Stagiairs worden vaak als vervanger van een gediplomeerde docent voor de klas gezet, maar de scholieren accepteren de stagiairs niet als docent. „Leerlingen zeiden tegen een andere stagiair dat ze alleen aan onze sleutel voor het lokaal en de scanner voor aanwezigheid kunnen zien dat we leraren zijn.”

„Weet je hoe het vak ‘geschiedenis van Spanje eruit ziet op onze lerarenopleiding?”, vraagt Gustavo Cox Vásquez (29), eerstejaars student Spaans op de lerarenopleiding. Hij pakt de syllabus uit zijn tas. Daarin staan 360 vragen over Spanje, genummerd van 1 tot en met 360. Dat is alles. „We moeten zelf de antwoorden vinden. Er worden wel wat literatuursuggesties gedaan en bijvoorbeeld Wikipedia en elpais.es worden genoemd als bron. Maar er gebeurt verder niets mee. In de les geven de docenten de antwoorden en dat was het dan. Waarom je het moet leren, wordt niet verteld.”

Hoe de studenten Spaans leren spreken? „Je moet zelf contact zoeken met Spaanstaligen met wie je kan converseren en oefenen”, zegt Cox Vásquez. „Ik spreek al Spaans, voor mij is dat niet lastig. Maar voor Nederlandse studenten is het vaak heel moeilijk. We zitten nu in ons derde trimester, maar ik tref studenten die nog steeds niets in het Spaans voor de klas durven zeggen. En die mensen moeten straks op stage voor de klas!”

„We geven presentaties aan elkaar, omdat onze docenten nog amper frontaal les geven. En dan kijkt de docent mee”, zegt Wietse Zuyderwyk, tweedejaars student Engels aan de lerarenopleiding in Utrecht. „Per week is er twee uur ingeruimd voor het aanleren van pedagogische vaardigheden. Dan wordt besproken hoe we voor een klas moeten staan, hoe om te gaan met crisissituaties. Maar het leeuwendeel van de tijd gaat op aan het schrijven van Persoonlijke Ontwikkelings Plannen, die worden ‘POP’s’ genoemd.”

„Daarin moet komen te staan wat ik wil leren, en waar ik over een jaar wil staan”, verduidelijkt Flores Guido. Zuyderwyk: „Op andere opleidingen zijn er ook nog PIP’s, Persoonlijke Informatie Plannen. En PAP’s, Persoonlijke Activiteiten Plannen. Als de PIP’s, PAP’s en POP’s in orde zijn, kunnen studenten een jaar afsluiten.”

En hij verzucht: „Ik zou weer les willen krijgen volgens het oude leren. Een onderwijsinstelling die zich de komende jaren daarop toelegt, krijgt veel aanmeldingen.”

Het kost Flores Guido dertig uur per week om alle plannen, reflecties en dossiers af te krijgen. „Daar wil ik me helemaal niet mee bezighouden. Ik wil leren hoe je voor zo’n klas staat. Hoe je orde houdt. Hoe je Engels geeft. Dát moet je weten als je van deze opleiding afkomt.”

„We zijn het eens met de studenten dat er te weinig contacturen zijn”, schrijft het college van bestuur van de Hogeschool Utrecht in een reactie op de klachten in dit artikel. En het vervolgt: „Dit heeft te maken met de internationaal gezien lage overheidsgelden voor onderwijs. We zijn momenteel bezig met een evaluatie van het onderwijsmodel bij de lerarenopleiding. Daarvoor voeren we ook heel nadrukkelijk het dialoog met de studenten, medewerkers en het beroepenveld.”

Wilt u reageren? Mail uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam