‘Je moet je inleven in het dier dat je bestrijdt’

Erik Kriek (44) is rattenvanger, of liever ongediertebestrijder.

„Ze verwachten een raar type, een geheimzinnige gifmenger die ergens onzichtbaar binnensluipt.”

Erik Kriek: „Kakkerlakken zijn alleseters die het voedsel bevuilen en slecht zijn voor de hygiëne” Foto Merlin Daleman Erik Kriek, rattenvanger. Bergen (NH), 17-01-07 © Foto Merlin Daleman Daleman, Merlin

‘Kijk daar”, wijst Erik Kriek, „dat is een mooi voorbeeld.” Speurend langs de modderige slootkant heeft hij een rond gat van zo’n zes centimeter doorsnee ontdekt: rattenwerk, geen twijfel mogelijk. De rat heeft, ook voor een leek, duidelijk waarneembaar zijn visitekaartje achtergelaten: vanaf de opening in de oever voert een platgetreden paadje langs het water naar een aangeknaagde suikerbiet verderop.

„De akker heeft hier volgelegen met suikerbieten, dat trekt ongedierte aan. In de omgeving van zoveel voedsel gaan ze nesten maken. Ratten maken hele gangenstelsels, als er bestrating is gaat het verzakken, maar dit ondermijnt niet de dijken zoals het gegraaf van muskusratten. Dan zouden wij er ook niets aan mogen doen. Het is een zaak van de overheid om vangkooien in de sloten te plaatsen waar muskusratten in worden gevangen. De bruine rat houdt zich ook vaak op in de buurt van sloten. Je ziet dan zo’n sleepspoor. Anderen gaan daar misschien ongemerkt aan voorbij, maar ik ben er altijd op gespitst. Je leert de omgeving anders in je op te nemen. Als ik ergens binnenkom, gaan mijn ogen direct in het rond: wat neem ik waar, wat zijn de zwakke plekken, wat ruik ik?”

Vroeger zou je Erik Kriek (44) een rattenvanger genoemd hebben, maar dat is een romantisch beeld uit vervlogen tijden. Hijzelf spreekt liever van ongediertebestrijder, een woord dat aangeeft dat het werk meer omvat dan achter ratten aanjagen. Het jaar, zegt hij, kent pieken waarin hij vooral te maken heeft met wespen, vlooien of andere insecten die mensen liever niet op bezoek krijgen. Ook exotisch ongedierte treft hij tegenwoordig geregeld aan, zoals tropische mieren en Duitse kakkerlakken, een soort die anders dan de naam doet vermoeden van tropische oorsprong is. Ze gedijen in een multiculturele samenleving waarin personen en goederen steeds grotere afstanden afleggen en de opvattingen over hygiëne veranderen. Van dat laatste profiteert eveneens de bedwants die een tijd „min of meer was verdwenen”, maar nu terug is van weggeweest. Ratten en muizen daarentegen zijn van alle tijden en seizoenen, al krijgt Kriek ’s winters meer klachten omdat ze in die periode eerder naar de bebouwing trekken, op zoek naar voedsel en een schuilplaats.

Zo heeft ook het boerenbedrijf in Noord-Holland waar hij deze januaridag een controle uitvoert, een muizenprobleem. „Iedere boerderij heeft zwakke punten. Deze deur heeft een rubber afsluitrand, maar daar opzij kiert het. Een muis heeft aan een halve centimeter ruimte genoeg. Hier zie je bijvoorbeeld gaatjes in de fundering. Ze zitten onder de schuur. Als er een nacht geen muis langs zo’n opening is geweest hangt er spinrag voor. Dat zwart op de steen is buiksmeer. Als die muizen alle dagen hetzelfde paadje bewandelen krijg je door het vet op hun buik een zwarte aanslag.”

De knaageters worden aangetrokken door de graansilo’s op het erf. Er moet, denkt hij, ergens een lek zijn ontstaan doordat de muizen vat gekregen hebben op het hout, „maar dat vind je pas als je gaat afbreken”. Weliswaar zal de boer op termijn afstand doen van de silo’s, maar tot die tijd moet hij ‘weringsmaatregelen’ nemen. Zo staan, verdekt neergezet, her en der lokaasdoosjes op het erf en in de schuur. Inspectie leert dat sommige goed zijn bezocht. Gehandschoend vult Kriek de lege kistjes bij met het voer – een mengsel van gerst, haver en een bestrijdingsmiddel – uit zijn voedertas.

„Het heeft een bloedverdunnende werking. Als de dieren er een paar keer van eten hebben ze na drie, vier dagen een dodelijke dosis binnengekregen. Het is niet een geheel pijnloze dood, maar wel de humaanste methode, beter dan klemmen en de in het buitenland gebruikte lijmvallen die een lange doodsstrijd kunnen veroorzaken. Vroeger bestonden er producten waar ze na één hap meteen dood van gingen. Maar ratten zijn slim en na verloop van tijd hadden ze door dat je er af moest blijven, aasschuwheid heet dat. Doordat de nieuwe middelen langzamer werken en ze tussendoor ook nog andere dingen eten, kunnen ze de link niet leggen tussen wat ze wel en niet moeten nemen.

„Nee, ik voel geen triomf als ik er weer één heb geliquideerd. Ik turf ze niet, maar je vindt ze dan ook zelden, want een dier dat zich ziek voelt, trekt zich terug in zijn schuilplaats. Ik ben niet blind voor de schoonheid en de kracht van het dier. Ik had zelf vroeger een gerbil, een springmuis. Met een huisdier heb je een band, met de dieren die je bestrijdt niet – je weet hoeveel schade ze kunnen aanrichten. Kijk, dit is een stuk elektriciteitskabel waarvan de bemanteling helemaal is weggeknaagd door een rat, daardoor ontstaat kortsluiting. De kick voor mij is dat ik een pand vrij krijg en vrij kan houden van ongedierte.’’

Erik Kriek, die na een agrarische opleiding aanvankelijk in de textielbranche werkte, kwam bij toeval in aanraking met ongediertebestrijding. De stiefgrootvader van zijn ex-vrouw Jeannine Schotel had in 1938 de firma Ratvang opgericht, die later door zijn zoon werd voortgezet. Via hem maakte Kriek kennis met het vak waar hij naar zijn zeggen al gauw door ‘gegrepen’ raakte. Zestien jaar geleden namen hij en Schotel Ratvang over dat is gevestigd in Tuitjenhorn, een bescheiden stipje op de kaart tussen Alkmaar en Schagen.

Het is, met drie mensen in de buitendienst en één persoon op kantoor, een klein bedrijf dat bij voorkeur werkt voor kleinere organisaties omdat je daar, aldus Jeannine Schotel, „een persoonlijker contact hebt met de klant. Het is ook een vertrouwenskwestie: als je aan preventieve bestrijding doet, sta je zo’n acht keer per jaar bij de mensen op de stoep. Sommige klanten zeggen: ‘We zien Erik vaker dan onze familie’. Je komt niet bij iedereen op de koffie, maar je maakt wel een praatje. Je geeft advies en stelt ze gerust: de dieren knagen niet door het beton heen.”

Kriek: „Dat sociale contact is heel belangrijk. Soms ben je bijna een maatschappelijk werker en is alleen praten al voldoende. Eén mevrouw belt ieder jaar wel een keer, maar als je haar dan een poosje te woord staat is het weer goed. Ik ben nog nooit bij haar geweest. Er zijn mensen die bellen omdat ze overal jeuk hebben, of allemaal kleine zwarte dingetjes menen te zien. Ze zijn soms door de huisarts naar ons doorverwezen, maar vaak blijkt het om een ander probleem te gaan dan ongedierte en sturen wij ze weer terug naar de arts. Eén keer heb ik meegemaakt dat iemand het behang van de muren had gescheurd en de vloerbedekking had weggetrokken omdat er overal beestjes zouden zitten.

„Soms is het vies werk. Ik moest eens naar een huis waarin een paar dagen een overleden vrouw had gelegen bij zesentwintig graden. Het zag zwart van de vliegen. Ik was toen heel blij dat ik een overall aan had. Kakkerlakken staan ook ver van mij af. Het zijn alleseters die het voedsel bevuilen en slecht zijn voor de hygiëne. Ik heb er geen moeite mee ze dood te maken. Maar als iemand mij in paniek belt over een bijen- of wespennest vraag ik eerst waar het zit. Als het geen kwaad kan, haal ik het niet weg. Een wespennest is schitterend. Ik vind het leuk uit te leggen hoe het is gemaakt, van welk materiaal. Het is tenslotte maar eenjarig. Als je dit vak goed wilt uitoefenen, moet je gefascineerd zijn door dieren. Je moet je inleven in het dier dat je bestrijdt: wat is zijn leefwijze, waar komt hij vandaan, wat eet hij, waar zet ik het gif neer? Ik ben weleens ’s nachts naar een bedrijf gegaan om te zien waar de muizen tevoorschijn kwamen.”

Ongediertebestrijding, stelt hij, heeft een negatief imago dat voortkomt uit schaamtegevoel: „Ik ga discreet te werk. Ik rijd in een onopvallende auto zonder bedrijfslogo en ik heb geen reclame op mijn kleding. Klanten willen niet dat de buitenwereld weet wat ik kom doen. Ik ga dan ook niet in het zicht van iedereen aan de slag, dat vind ik ongepast. Mensen reageren soms verrast als ze mij zien: ‘Je bent een leuke man!’, zeggen ze. Ze verwachten kennelijk toch een beetje een raar type, een geheimzinnige gifmenger die ergens onzichtbaar binnensluipt.

‘Tegenwoordig is het zaak dat je open en bloot vertelt wat je doet. Je moet alles nauwkeurig registreren en verantwoorden in een logboek. De regelgeving en milieu-eisen zijn veel strenger dan toen ik begon. Het aantal chemische bestrijdingsmiddelen is afgenomen, veel sterker dan in andere landen. Maar ik word door de overheid wel gedwongen in een bepaald spoor te lopen: ik mag ongedierte niet bestrijden met minder lokdoosjes dan is voorgeschreven. Ook de bedrijven moeten, tegenover de leveranciers en instanties die de hygiëne controleren, voldoen aan bepaalde eisen. Ze willen vaak het dubbele aantal doosjes omdat ze het idee hebben dat de maatregelen anders niet effectief zijn.”

Hoe meer kistjes hoe beter. Dat moet, zij het om een andere reden, ook de mevrouw gedacht hebben die Erik Kriek een keer aan het werk zag in een manege. Nog herinnert hij zich haar verheugde commentaar: leuk dat je huisjes neerzet voor de ratten in de winter!