Jan Roeland: 'Het ontroert door het niksige onderwerp'

In deel 20 van een serie over kunstenaars en hun inspiratiebronnen vertelt schilder Jan Roeland over zijn liefde voor het schilderij Pijnboom aan Zee (1921) van de Italiaanse kunstenaar Carlo Carrà (1881-1966).

'Waarom ik dit zo'n bijzonder schilderij vind, is niet zo gemakkelijk te benoemen. Het is een intrigerend werk. Het heeft een poëtische stilte die me erg aanspreekt. Het is een ernstig en melancholisch schilderij, maar het heeft tegelijkertijd ook iets absurds. De ingrediënten waaruit het is opgebouwd, vind ik zeer merkwaardig. Het schilderij heet Pijnboom aan Zee. Maar als er iets in het oog springt is dat niet de pijnboom, maar dat gekke rekje met dat witte kleed erover. Daar kijk je als eerste naar. Dus die titel is al zeer raadselachtig.

'Het is eigenlijk een heel onbenullig onderwerp, zo'n wit laken dat over een schraag hangt. Ik denk dat het een compositorisch element is, dat Carrà het nodig had om op die plek een wit vlak in het schilderij te brengen. Het wit geeft het schilderij lucht. Als je het wegdenkt, wordt de voorstelling saai en minder ruimtelijk. Carrà heeft voor een heel letterlijke oplossing gekozen, door eenvoudigweg een wit doek in het centrum te schilderen. Dat maakt het schilderij ook nog een beetje naïef. Het heeft iets kwetsbaars, dat doekje. Maar eigenlijk slaat het nergens op.

'Je voelt allerlei vreemde invloeden in dit schilderij. De sfeer die er hangt is die van de vroege Renaissance. Zoals dat gekke boompje, met dat bladerdak in een soort wolkvorm, en die rare fantasiegrot waar ieder moment een draak uit tevoorschijn zou kunnen komen. Maar het schilderij draagt ook kenmerken van de metafysische schilderkunst, zoals de leegte en de vervreemding. Dat klopt ook wel, want Carrà stond in die tijd onder invloed van Giorgio De Chirico. Vóór Pijnboom aan Zee heeft hij een aantal stillevens gemaakt met een sterk metafysisch karakter, die ook prachtig zijn.

Tussenschilderij

'Dit is een tussenschilderij, gemaakt tijdens een overgangsperiode. Het is een sleutelschilderij, en dat heeft altijd iets raars in zich. Carrà begon zijn carrière als futurist en trok op met kunstenaars als Balla, Marinetti en Boccioni. Onder invloed van De Chirico is hij daarmee gestopt en is hij zich vanaf 1917 gaan toeleggen op metafysische stillevens. Maar ook daar had-ie op een gegeven moment blijkbaar genoeg van. Toen is hij weer teruggegaan naar de natuur, naar de ideale, archaïsche wereld die we kennen uit de vroege Renaissance-schilderijen van onder anderen Giotto, die hij net als ik zeer bewonderde. Al die elementen zijn in dit schilderij op een wonderlijke manier bij elkaar geschraapt. Carrà was een beetje zoekende, dat zie je eraan af. Ik denk dat hij een ontvankelijke man was, die steeds weer onder invloed stond van anderen. Dat vind ik juist wel mooi, dat je al die bewegingen in zijn oeuvre terugziet. Dat hij open bleef staan voor het nieuwe, en niet vasthield aan een richting die hij ooit was ingeslagen.

Zoetig

'Het latere werk van Carrà is er overigens niet beter op geworden. Hij is nogal zoetig gaan schilderen. Dan wordt het vrij melig. Dat is wel sneu. De Chirico was natuurlijk een veel groter talent dan Carrà. Hij was pas echt een geweldenaar. Maar ik heb voor dit werk gekozen omdat het zo'n curieus schilderij is. Haast niemand kent het, want het bevindt zich in een privéverzameling. Ik heb het zelf ook nooit in het echt gezien. Maar zelfs op de reproductie kan ik zien dat het mooi geschilderd is. Het is dromeriger dan het werk van De Chirico. Dat is veel zwaarmoediger en complexer. Carrà's werk is lichter en picturaler.

'Ik heb dit schilderij ook gekozen omdat ik er een aspect uit mijn eigen werk in herken, namelijk de eenvoud van de voorstelling. Iets gewoners dan een lap over een houten schraag kun je haast niet verzinnen. En juist dat spreekt mij erg aan. Ik maak schilderijen van planten, enveloppen, hamers, of eenden. Die onderwerpen worden door mij eindeloos gestileerd, totdat alleen een bijna abstracte vorm overblijft. Ik kan maanden aan zo'n schilderij zitten werken. Ik ben eigenlijk bijna altijd ontevreden. De vorm mag niet anekdotisch zijn. De vorm moet interessant zijn, en een intrige bevatten, zodat je er steeds opnieuw naar kunt kijken. Ik houd erg van het fysieke karakter van de schilderkunst, van het handwerk dat erin steekt. Daarin onderscheidt de schilderkunst zich van bijvoorbeeld fotografie. Een goed schilderij verveelt nooit.

'Aan het schilderij van Carrà kun je zien dat hij er lang en geconcentreerd aan gewerkt heeft. Hij heeft niet zomaar de kleur neergezet. Hij heeft doorgeschilderd, waardoor de kleuren hun intensiteit hebben gekregen en dat vreemde licht in de voorstelling is gekropen. De kleuren, van de zee en de lucht bijvoorbeeld, spreken me erg aan. Die intensiteit bereik je alleen door ontevreden te zijn, zo simpel is het. Door steeds opnieuw te zeggen: het is me toch nog iets te slap of iets te bruin. Door eindeloos te kijken en weer opnieuw te schilderen.

'Ik heb dit schilderij van Carrà al heel lang in mijn hoofd zitten, en iedere keer dat ik het zie, raakt het me. Het is ontroerend door het niksige karakter van het onderwerp, dat toch zo prachtig geschilderd is. Een serieuze niksigheid, dat is waar mijn eigen werk ook over gaat. Dat je met je tong tussen je tanden staat te werken om iets volkomen onopvallends een andere betekenis te geven.'

Van 8 maart t/m 27 mei is in de Stadsgalerij Heerlen een overzicht te zien van schilderijen van Jan Roeland uit de periode 1997-2007. Bij de tentoonstelling verschijnt een publicatie met teksten van Jan Andriesse en Tijs Goldschmidt.