Iris

Kijk je nou alweer? Je lijkt wel verliefd op je cijfers. Ik hoor ze vanuit het kantoortje. Iris en Janneke, vierdeklassers. Tweemaal per week blijven ze nawerken. Samen achterstanden inhalen. Eén iPod, twee oortjes, vriendschap ontstaat boven een wiskundeboek.

Maar nu is het even pauze. Iris staat voor het prikbord. Daar hangen de gekopieerde bladzijden uit de lerarenagenda’s. Economie, Scheikunde, Frans.

Kijk, hoor ik, er zijn maar vijf cijfers hoger dan mij.

Hoger dan ik, sukkel, zegt Janneke.

Ze bestuderen de resultaten van hun klasgenoten. Micha heeft geen één voldoende. Maar ja, vind je het gek? vraagt Janneke. Nee. Ze vinden het helemaal niet gek. Micha heeft nooit boeken bij zich. Maar kijk, Appie, wow, die is slecht, maar wat kun je van die gast verwachten?

Ik kom het kantoortje uit.

Hé Iris, zeg ik, je lijkt wel verliefd op je cijfers.

Een kritische blik. De trots blijkt echter sterker dan het wantrouwen. Er zijn maar vijf cijfers hoger dan mij, zegt ze.

Dan ik, vul ik aan.

O, pardon.

Zie je wel dat het werkt, doceer ik.

Wat werkt?

Nou, een beetje plannen, nawerken, bijblijven.

Een beleefd knikje is mijn deel. Ik moet niet denken dat haar successen toe te schrijven zijn aan school. Integendeel, sinds wij minder instructie geven en een actievere werkhouding van de leerlingen verlangen, deugen wij niet meer. Ze heeft al dagjes meegelopen op andere scholen maar dat was niet meegevallen. Leraren die voortdurend bezig zijn de orde te bewaren, terwijl de klas bezig is de leraar het lesgeven onmogelijk te maken, nee, dat trok haar toch ook niet aan.

Ben je al bij met Frans? vraag ik.

Dat blijkt niet het geval. Maar, Iris’ vinger tikt op het prikbord, een 8,4, dat wel.

Dus? vraag ik.

Dus hoeft het niet meer, vindt ze.

Janneke loopt weg. Ik had ook naar haar cijfers moeten vragen.

Dus ben je nog slimmer dan je zelf weet, zeg ik.

Iris schudt haar hoofd.

Dus kun je eigenlijk héél goed zelfstandig werken, ga ik even door.

Dus zijn het slechte lessen, houdt ze vol.

Oké, zeg ik. Dat kan. Maar ik denk dat het aan jou ligt. Zoals je nu werkt. Dat is gewoon goed.

O, is dat het? Ik ben goed. Oké, dat is het. Dus ... dan ga ik nu maar weer werken.

Ze draait zich om en loopt weg. Een bedachtzame pas met plotseling een huppeltje.