Industrieel boeren

Het Amsterdamse havengebied lijkt een absurde locatie voor intensieve veeteelt, champignon- en groentekwekerijen. Maar de Wageningse onderzoeker Peter Smeets verdedigt zijn ontwerp: ‘Varkens horen bij de stad.’

Marianne Heselmans

Peter Smeets 16/1/2007 Foto Freddy Rikken Peter Smeets varkensflats Wageningen Rikken, Freddy

Er zouden drie lage flats moeten komen – elk gebouw minimaal vier voetbalvelden groot: De onderste verdiepingen zijn voor champignons, daarbovenop twee lagen stallen voor samen zo’n 114.000 varkens. En op de daken staan gesloten kassen voor groenteteelt. Op het terrein staan verder een slachterij, een installatie voor de verwerking van mest, en een zogeheten warmtekrachtkoppelings-installatie, die het biogas uit de mestverwerkingsinstallatie omzet in elektriciteit en warmte.

Dit is in een notendop het ontwerp voor ‘Agrocentrum Westpoort’, een hightech centrum voor grondóngebonden landbouw, waar nu ruimte voor wordt gezocht in het Amsterdamse havengebied. De financiers en aanjagers van het ontwerp, het InnovatieNetwerk en TransForum, hebben al ondernemers gevonden die overwegen in het centrum te investeren. En adviseur Henry Meijdam, oud-burgemeester van Zaanstad, is nu ook in gesprek met andere partijen, waaronder het gemeentebestuur van Zaanstad. In december spraken ze ook met acht maatschappelijke organisaties. Drie organisaties – Varkens in Nood, Milieufederatie Noord-Holland en Milieucentrum Amsterdam – blijven met de ontwerpers in gesprek. Maar de anderen, waaronder Natuur en Milieu, Milieudefensie en de Dierenbescherming doen niet mee: zij hebben de vergadering verklaard hoe dan ook tegen de flats te zijn.

“Jammer’’, zegt drs Peter Smeets, die met Wageningse collega’s het ontwerp maakte, “Maar gelukkig hoeven we toch niet zonder maatschappelijke organisaties verder.’’

stank

Smeets is onderzoeker bij het Wagenings instituut Alterra en ‘projectregisseur’ bij TransForum. Dit is een voor vier jaar opgerichte Stichting in Zoetermeer die met aardgasgelden innovaties op het platteland en in de voedingsketen ondersteunt. Al zo’n acht jaar bepleit en ontwerpt Smeets Agroparken: door energiestromen aan elkaar gekoppelde, en eventueel gestapelde landbouwbedrijven. Agroparken hebben veel voordelen, schetst hij op zijn kamer bij Alterra, zijn snel gesproken betoog onderbouwend met vele cijfers en kaarten. Met een clustering van grote bedrijven op één terrein komt ruimte vrij op het platteland (in de omgeving van een stal mag niet worden gebouwd vanwege de stank). En gezamenlijk zijn grote investeringen te doen. Zoals in mest- en compostverwerkingsinstallaties (waardoor de mest wordt omgezet in biogas, schoon water en droge mestkorrels), in warmte-krachtkoppelinginstallaties (waardoor warmte en elektriciteit tegelijkertijd zijn op te wekken), en in luchtwassers (tegen stank en ammoniak in de stal).

Een principe van agrocentra is bovendien dat de ondernemers de bij- en restproducten aan elkaar en aan derden verkopen. Bij Agrocentrum Westpoort gaat de met het biogas opgewekte elektriciteit naar energiebedrijven, de koude luchtstroom uit de champignonteelt gaat naar de varkensstallen, de overtollige warmte van de varkensstal naar de kas.

Het is even wennen: intensieve landbouw in de stad Maar Smeets prikt graag ‘mythes’ door, en zo’n mythe is volgens hem dat landbouw op het platteland hoort. “Varkens horen juist bij de stad’’, betoogt hij. “De varkenshouderij is een sector die mondiale afvalstromen naar zich toe regisseert: sojaschroot uit Brazilië, aardappelschillendrab uit de frietindustrie, afgekeur de partijen drop en bonbons – de Nederlandse varkens eten dit allemaal al. En hoe dichter bij een grote haven, hoe goedkoper het voer. Je moet er met het schip naartoe kunnen. Rond de stad zitten ook de dierenartsen, kennisinstellingen, transporteurs en supermarkten.’’

metropoolregio’s

Diezelfde afhankelijkheid van de stadse infrastructuur geldt voor de Nederlandse tuinbouw, waarvoor vliegtuigen af en aan vliegen. Agroparken, zo wil Smeets maar zeggen, spelen in op een trend die allang aan de gang is. “Europa heeft nu drie grote metropoolregio’s: de Deltametropool van Lille over Keulen naar Amsterdam, de Povlakte, en Londen en omgeving. Daarnaast nog wat grote steden als Parijs en Madrid. De rest – tachtig procent van Europa – is leeg. De grote intensieve veehouderijen en de tuinbouwbedrijven zitten al in die stedelijke regio’s.’’

Het valt echter niet mee om ook een Agropark te realiseren in Nederland. De toenmalige landbouwminister Brinkhorst stelde zich in 2002 achter het ontwerp voor een flat met varkens, kippen en zalm in de Maasvlakte. Maar deze ‘varkensflat’ leidde destijds tot zo’n storm van kritiek, dat de initiatiefnemers er nog maar even van afzagen. Een jaar later planden twintig varkenshouders een aantal megastallen met mestverwerkingsinstallatie bij het Limburgse Nederweert, maar de gemeente durfde het toch niet aan. Nu wacht weer een ‘Nieuw Gemengd Bedrijf’ bij Horst (Limburg) op de uitkomsten van een Milieu Effect Rapportage. In dit veecentrum moeten energie-, water- en afvalstromen worden gekoppeld aan het nabijgelegen, hypermoderne kassengebied Californië. Het omvat onder andere een grote kippenfarm (een miljoen kippen), een varkenshouderij (33.000 varkensplaatsen), een warmtekrachtkoppelingsintallatie en een mestverwerkingsinstallatie. Omwonenden en de lokale SP hebben zich er al tegen gekeerd.

Zou het er in het Amsterdamse Havengebied wel van komen? “Het zou moeten gaan lukken’’, reageert Smeets. “Als mensen die hart hebben voor het milieu en het dierenwelzijn er echt over nadenken, moeten ze tot de conclusie komen dat zo’n Agrocentrum beter is dan de huidige stallen in Nederland.’’

De tegenstanders, met als aanvoerder Milieudefensie, vinden echter principieel dat de Nederlandse veehouderij extensief en grondgebonden moet zijn, met lokale gesloten kringlopen, en buitenlucht voor de beesten. Zo hoopt zich in een regio geen mest op, en maakt Nederland zich ook niet schuldig aan uitbuiting en het kappen van oerwouden in Brazilië voor de sojaproductie.

Smeets maakt zich in het gesprek meerdere malen kwaad over dit ‘soja-argument’ (“Wat Milieudefensie niet vertelt, is dat de varkens het afval van een belangrijke vleesvervanger eten.’’) Maar hij is het uiteraard wel eens met de tegenstanders dat we minder vlees moeten eten. Voor het echter zo ver is, zegt hij, “zullen er nog miljarden varkens over het bandje gaan. En dan sta ik voor al díe varkens. In China worden nu 650 miljoen varkens gehouden en de vraag naar vlees groeit daar nog steeds. Wij kunnen dan zeggen: In Nederland houden we onze varkens biologisch en grondgebonden. En de andere Europeanen en Chinezen houden hún varkens grondgebonden. Maar behalve dat Nederland dan de inkomsten uit zijn bioindustrie misloopt, exporteren we zo ook dierenleed en milieuvervuiling. Veel Chinese varkens zitten dag en nacht alleen in een piepklein donker hok. Dan zijn ze toch echt beter af in een Agrocentrum in Amsterdam, waar veel strengere regels zijn rond dierenwelzijn en milieu.’’

De tegenstanders hebben nog een punt: Een agrocentrum kan op papier wel heel dier- en milieuvriendelijk zijn. Maar zullen al die mooie voornemens in de loop van het proces niet worden uitgekleed tot een ordinaire varkensflat?

pijnlijke gevechten

Zo streven de ontwerpers van Agrocentrum Westpoort naar stallen volgens de biologische normen voor de leefruimte binnen: voor mestvarkens is dat 1,9 vierkante meter. Vanwege het risico op ziekte-insleep is niet gekozen voor buitenuitloop zoals in de biologische veehouderij, maar er is stro, en koepels en ramen geven wel natuurlijk licht. Volgens het plan hoeven de dieren nauwelijks meer vervoerd te worden (dus geen pijnlijke gevechten meer in vrachtwagens), omdat op het terrein zelf een slachterij komt. De overheid kan echter de ondernemers niet dwingen lichtkoepels te bouwen of varkens meer leefruimte te geven dan een vierkante meter (de wettelijke minimumnorm). En waarom zouden de varkenshouders hun varkens aan de slachterij in hun eigen centrum verkopen, als een Italiaanse slachterij meer biedt? Ook is het niet zeker dat de nabijgelegen kunstmestfabrikant Amfert de stikstofrijke resten van de verbrande mestkorrels afneemt.

“Klopt’’, zegt Smeets. “Maar als je er bij voorbaat al vanuit gaat dat een plan wordt uitgekleed, kun je geen enkel vernieuwend ontwerp realiseren. En het is ook niet zo dat we niks kunnen doen: We kunnen ondernemers er op wijzen dat meer dierenwelzijn ook vaak leidt tot hogere productie, en dat investeren in milieu en dierenwelzijn goed is voor het imago. En gemeentes kunnen extra eisen stellen aan het agrocentrum, bijvoorbeeld aan de stank of aan de architectuur.’’

masterplan

Varkens in Nood wil webcams in de stallen zodat het publiek mee kan kijken (en vervolgens beslist minder vlees te eten). Smeets is daar helemaal voor. “Wij zijn in Nederland geneigd de bioindustrie achter bomen te verstoppen. Maar waarom er geen educatiecentrum bij bouwen? Laten we juist trots zijn. We hebben de meest geavanceerde stallen en kassen in de wereld.’’

De Nederlandse agro-ontwerpers zetten hun kennis nu ook in voor China. Een brede club van tien Nederlandse bedrijven, twee Nederlandse kennisinstellingen (Wageningen en Maastricht), Chinese bedrijven en Chinese kennisinstellingen maakt nu met steun van TransForum een ‘masterplan’ voor een agropark op een eiland vlakbij Shanghai (negen miljoen inwoners). Op dit nu nog dunbevolkte maar wel vogelrijke eiland, wil de gemeente Shanghai een ‘eco-city’ voor 200.000 mensen bouwen, Dongtan geheten. Het eiland krijgt natuur, recreatiegebieden, een educatief centrum, biologische landbouw én een modern, hightech agropark dat ook op de wereldmarkt is gericht.

melkrobots

Naast varkensstallen, kippenstallen, paddenstoelenkweek en groentekassen komt in dit agropark ook een stal van een paar duizend koeien met melkrobots (niet in een flat, want er is ruimte genoeg). Koeienmest gaat als voer naar een wormenkwekerij. En die levert zijn wormen aan verschillende zoetwaterteelten, bijvoorbeeld schilpadden, tilapia, karpers en garnalen. In mei moet het masterplan klaar zijn. Als de gemeente van Shanghai dit goedkeurt, denkt Peter Smeets, kan dit agrocentrum in anderhalf jaar zijn gebouwd. Maatschappelijk verzet is in China niet te verwachten. De ontwerpers zoeken nu wel maatschappelijke organisaties om mee te denken, maar die zijn er nauwelijks.

Eerder had Smeets al een masterplan begeleid voor een agrorecreatiepark bij Changzhou, een stad van vier miljoen mensen, 150 kilometer van Shanghai. Maar de Nederlanders hebben zich eruit teruggetrokken. De Chinezen wilden namelijk niet al meteen investeren in een gemeenschappelijk bedrijf dat de energie- en waterstromen van het park zou beheren. Terwijl de Nederlandse ontwerpers hier juist goede ervaringen mee hebben, onder andere in het nieuwe kassenpark bij Bergerden in Gelderland, waar een gezamenlijk bedrijf van meet af aan alle energie- en waterstromen regelt.

Smeets: “Wij willen altijd meer plannen, de Chinezen willen organisaties organisch laten ontstaan. In Dongtan willen we daarom proberen om het agrocentrum langzaam en modulegewijs te laten groeien, en niet in een keer helemaal te bouwen.’’

Veel voorbeelden zijn er in het buitenland nog niet. Het miljardenbedrijf ADM, een van de grootste graan- en oliezadenverwerkers ter wereld, heeft bijvoorbeeld wel in het Amerikaanse Illinois al zoveel mogelijk zijn eigen afval- en energiestromen tot waarde gebracht: Het bedrijf verwarmt met de stoom die vrijkomt bij de verbranding van zijn afgedankte autobanden een tilapiakwekerij, en een kas voor sla en komkommers. Ook gaat overtollige warmte naar de stad, en wordt vrijkomende kooldioxide verkocht. Maar Smeets vindt dit eigenlijk nog een ‘primitief’ park, omdat het een initiatief is van één fabrieksdirecteur. “Wij willen complexere agroparken waarin meerdere bedrijven samenwerken.’’

Meer over agroparken: www.agrocomplex.nlwww.innovatienetwerk.orgwww.milieudefensie.nl