'Ick gijnck eens op de weijen, over bergen en vleyen'

In The National Archives in Londen liggen duizenden Nederlandse brieven uit de 17de en 18de eeuw. Ze zijn geschreven uit Nederland naar verre gewesten en terug, en werden ooit buitgemaakt door Engelse kapers.

Roelof van Gelder deed in opdracht van de Koninklijke Bibliotheek onderzoek naar deze vergeten post en selecteert elke maand een brief voor M.

Omdat mijn schrijven voor het grootste deel voltooid is, daarom zal ik hierna nog toevoegen een liedje dat ik te Sonderburg in het groene land gedicht en gemaakt heb en naar Amsterdam heb gezonden aan mijn lieve vrouw en kinderen.

En het gaat op de wijs van 'En wilt mij niet beschamen'

Ick gijnck eens op de weijen

Over bergen en vleyen [valeien]

door bosschen ende heijen

Om den geest te vermaecken

In veel velden verscheijden

Sagh ick dat kooren meijen [maaien]

den waagen sagh ick leijen [laden]

Van mans vrouwen en knapen

Int lant van Sonderborgh hoort mij, aen sagh ick dat al vrij

ick docht oock mee hijer bij

een vreemdelijngh ick hijer sij

wanneer sal ick weer weesen

bij mijn vrijende [vrienden] gepreesen

mijn huijsvrou uijt geleesen

mijn lijef in dueght verbreijt

mijn meest vermaeckelijckheijt

mijn E. J. [ed'le juffrouw] goedigh

bemijnde Saer oodtmoedigh

uwe goedtheijt overvloedigh

doet mij deckmael [dikwijls] bedencken

ick wijl mij maecken spoedigh

om t werck te enden vroedigh

mijn lijef weest doch lanckmoedigh

wilt somtijts om mij dencken

ick denck deckmael al hijer

Om u seedigh manijer

uwe nettijghheijt seer fijer

gelijck een angelijer

dat doet mijn hart op reijsen

uwe dueghden sal ick prijesen

dat wijl ick oock bewijesen

mijn E. J. [mijn ed'le juffrouw] Jent [bevallig]

bij u ist excellent

hijer bij oock mee in desen

wijlt dit ghedachtigh weesen

Soeckt altoos god te vreesen

ick vermaen u. t. algelijcke

Goedt lijefde sijn gereesen

hout vreede elck laedt hem kneesen [laat zich kennen?]

die dueght moedt sijn gepresen

pooght na het eeuwigijch rijcke

mijn kijnders altesame

mijn trijntije Jans bequame

Gommert Jans eersame

Jacob Jans bij naeme

Aerijan Jans nijet tee vergeeten

trijntije Jans met haer secreten

E. J. [ed'le juffrouw] wijlt dijt weeten

god sij u leijdtsman al

alhijer int aerdsche dal

oorlof vrijende [vrienden] alt samen

al die hijer sijn bij namen

ick wens u altesamen

hijer na het eeuwijch leeven

aldie met goede famen

na gerechtijcheijt pramen [aanzetten tot?]

die wijl [= wil] god dan te saamen

Het leste loon oock geeven

hout moedt treedt kloecklijck voort

met eendrachtijgh accoort

elck stel hem in slagh: oort

om door den engen poort

nacht ende dagh te streeven

met lust en lijefde t aenkleeven

laet ons dat nijet begeeven

mijn: E. J. [ed'le juffrouw] fijn

ick wijl oock geschreeven/gewaerschout sijn.