Het bed van de prins

De Britse koningin komt naar Nederland. Haar eerste bezoek, in 1958, veroorzaakte een relletje in de Nederlandse krantenwereld.

Komende maandag komt koningin Elizsabeth van Groot-Brittannië voor een eendaags staatsbezoek naar ons land. Haar eerste staatsbezoek, toen aan koningin Juliana en prins Bernhard, was van 25 tot 27 maart 1958. In die tijd mochten de televisiecamera’s nog niet of nauwelijks het paleis op de Dam in, maar hofverslaggevertjes als ondergetekende mochten wel vooraf kijken naar de rijk gedekte tafels in de grote zaal.

Onder leiding van een ambtenaar van de Regeringsvoorlichtingsdienst trok ik het paleis door, samen met onder meer Han Lammers, Amsterdams correspondent van het toen juist gestichte Algemeen Dagblad en Theo Eerdmans van Het Vrije Volk. We bekeken de slaapkamers van koningin Elizabeth en prins Philip. Han Lammers was het met mij eens toen ik constateerde dat het bed van Philip veel te kort was. Ik ging voor het bed op de grond liggen om te bewijzen dat mijn 1 meter 83 er nooit in zou passen. „Dat is niet genoeg bewijs”, vond Han Lammers en sprong het bed in. Zijn benen staken eruit.

Dat was brutaal, want zijn vader, dr. Fred Lammers, was toen directeur van de regeringsvoorlichtingsdienst. Een fotograaf maakte foto’s van mij, vóór het bed, en van Lammers, erin. Inmiddels had ik ook de maten genomen. Daarna waren we weer achter de groep aangehold.

De eindredactie van Lammers en ook die van mij, zo bleek later, vonden dat zoiets brutaals echt niet kon. Maar enkele jaren eerder had ik vriendschap gesloten met enkele verslaggevers van de Londense tabloidkranten. En dus seinde Peter Stephens van de Daily Mirror de foto van Han Lammers in dat bed naar zijn krant in Londen. We konden hem er van overtuigen dat het gezicht van Lammers onherkenbaar moest zijn, omdat zijn vader anders gedonder zou krijgen. De Daily Mirror zette de foto op de voorpagina, voorzien van de door mij opgenomen maten.

Het veroorzaakte enige sensatie, dr. Lammers was woedend en de brave ambtenaar die ons had rondgeleid kreeg geweldig op zijn lazer, hoewel hij volstrekt onschuldig was. De secretaris van koningin Juliana kwam na het staatsbezoek op bezoek bij mijn toenmalige hoofdredacteur dr. P.J. Koets (Het Parool), ook omdat men ten paleize inmiddels wist dat Han Lammers en ik erachter zaten. Maar in Het Parool had niets gestaan.

Wel had ik een andere vermakelijke gebeurtenis beschreven, bij de aankomst van de Britse vorstin bij het paleis op de Dam. Ik had geschreven dat ik de straat voor het paleis was overgestoken omdat de aankomst van de andere kant beter te volgen was. Ook vertelde ik dat gemeentearbeiders voor aankomst de tramrails hadden volgestopt met touw, zodat de rijtuigen met de smalle wielen niet in de de tramrails konden wegzakken. Dat ik de straat was overgestoken, en dat de opperstalmeester zijn siersabel had getrokken om mij weg te jagen, viel niet in goede aarde. Met name de passage waarin ik beschreef dat de opperstalmeester had geroepen: „Ik verbied u door mijn protocol te lopen.”

Toen de secretaris van de koningin het pand van Het Parool had verlaten, riep de de hoofdredacteur mij op het matje. Hij zei dat hij de koninklijke stukjes wat ‘raillerend’ had gevonden, maar ook dat hij er om had moeten lachen. Dat was een signaal dat ik mijn gang kon gaan. Lammers kwam er minder goed af, hij kreeg van de hoofdredactie van het Algemeen Dagblad een verbod nog ooit dit soort grappen uit te halen. Ik kreeg van de Daily Mirror een honorarium van vijfhonderd pond, Britse kranten hadden meer geld dan wij. Lammers en ik hebben het samen in café Scheltema aan de Nieuwezijds Voorburgwal opgemaakt, door rondjes te geven.