Haal de systeemfouten uit het onderwijs: parlement, inspecteer de inspecteurs

Een parlementair onderzoek naar het onderwijs zou zich vooral moeten richten op de bureaucratische schil eromheen. Die houdt er gekleurde opvattingen op na, heeft kritiek gesmoord en het parlement het zicht onthouden op wat er werkelijk aan de hand is.

Ad Verbrugge

Filosoof, docent aan de Vrije Universiteit. Voorzitter van Beter Onderwijs Nederland. Auteur van ‘Tijd van onbehagen’.

Eindelijk lijkt het er nu dan van te komen: op initiatief van Mariëtte Hamer van de PvdA wordt bekeken hoe en met welke vraagstelling er een parlementair onderzoek kan komen naar de onderwijsvernieuwingen van de afgelopen decennia. Dat valt te prijzen voor een partij die een belangrijk aandeel heeft gehad in de reeks van hervormingen waarmee ons eens zo deugdelijke onderwijsstelsel om zeep is geholpen. Laten we hopen dat het ook een teken is dat er in deze partij een andere onderwijswind waait dan in de tijden van Wallage, Ritzen en Netelenbos. Toch zou het iets te simpel zijn om de PvdA alleen het drama van de onderwijsvernieuwingen aan te rekenen, hoezeer deze partij daartoe ook het initiatief heeft genomen. Vrijwel alle politieke partijen hebben immers in het verleden ingestemd met deze vernieuwingen en zijn daarvoor in die zin medeverantwoordelijk.

In wezen stelt het parlement hier zijn eigen functioneren aan de kaak. In de reacties op het voorstel van Hamer menen sommigen dat het alleen al om die reden niet juist is om een parlementair onderzoek in te stellen; het zou namelijk helemaal niet gaan om dingen die zich aan het zicht van het parlement hebben onttrokken en die nu eindelijk boven tafel dienen te komen. Alle vernieuwingen zijn door het parlement zelf uitvoerig besproken en men heeft daartoe willens en wetens besloten, er valt dus eigenlijk helemaal niets uit te zoeken.

Anderen zijn van mening dat het geen zin heeft de fouten uit het verleden op te rakelen; men kan de tijd en het geld beter besteden aan de verbetering van het onderwijs dan aan navelstaarderij van het parlement. Zo verkondigt Marleen Barth van het CNV – als gewezen parlementslid voor de PvdA medeverantwoordelijk voor de vernieuwingen in de jaren negentig – dat we toch niet terug willen naar vroeger – waarbij dit ‘vroeger’ afwisselend wordt ingevuld, hoe het toevallig uitkomt in de discussie: ofwel karikaturaal als jaren vijftig spruitjeslucht of uitgerekend de periode die net achter ons ligt en die nu juist voorwerp van onderzoek en kritiek moet zijn.

Ondertussen gaat het natuurlijk om de vraag wat de zin is van een parlementair onderzoek naar het onderwijs en wat daarin centraal dient te staan.

Zeker: voor wie verbetering van het onderwijs op het oog heeft, staat de toekomst van ons onderwijs centraal. Dat laat onverlet dat we ons ook van het verleden rekenschap dienen te geven, om te leren van hetgeen daar goed en fout is gegaan. Sterker nog, de problemen waarmee we nu kampen hebben hun oorsprong in dat verleden en kunnen slechts ongedaan worden gemaakt door daarop terug te komen.

Nog helemaal los daarvan is een parlementair onderzoek hoe dan ook een goede zaak, omdat het een eerste genoegdoening is voor al die leraren en docenten die jarenlang de ene na de andere vernieuwing over zich heen hebben gekregen en wier kritiek daarop al die tijd gemakkelijk terzijde is geschoven als een uiting van behoudzucht of van onwil om het eigen ‘koninkrijkje’ op te geven. Men moet de afgelopen decennia zelf in het onderwijs hebben gewerkt om te weten met wat voor gebrek aan respect werd gesproken over het oude type docent dat als een ‘lesboer’ zijn leerlingen of studenten instrueerde – natuurlijk op een saaie manier – en hen daarbij alleen maar als lege vaten opvatte die zo snel mogelijk met zijn kennis moesten worden opgevuld. Zeker, goede en slechte docenten zijn van alle tijden, maar het beeld dat mede door toedoen van de overheid werd neergezet van de oude docent is voor velen bijzonder kwetsend geweest.

Helemaal pijnlijk werd het toen ook nog eens bleek dat men zich in tal van onderwijsinstellingen van dit type docent wilde verlossen. Hoeveel docenten zijn er vanaf de tweede helft van de jaren negentig niet roemloos vertrokken uit het onderwijs, vaak na vele jaren met hart en ziel voor de klas te hebben gestaan en vele leerlingen en studenten onder hun hoede te hebben gehad.

Een parlementair onderzoek zou hier in zekere zin ook kunnen functioneren als de waarheidscommissie in Zuid-Afrika (om deze iets te dramatische vergelijking te gebruiken), waarbij de overheid de hand in eigen boezem steekt en komt tot een publieke erkenning van een toegebracht leed dat lange tijd naamloos is gebleven. Het is dan ook van groot belang dat er door de commissie voldoende docenten en leraren worden gehoord die uit eigen ervaring kunnen vertellen op wat voor manier zij getroffen werden door de onderwijsvernieuwingen en wat dat voor hun vak en beroep betekende. Dan kan misschien ook duidelijk worden waarom de status van het beroep van leraar de laatste jaren achteruit is gehold en er onder de jeugd nauwelijks nog interesse voor bestaat. Willen we het onderwijs verbeteren dan heeft de rehabilitatie van de goed opgeleide en inspirerende leraar die zijn vak verstaat de hoogste prioriteit.

Een parlementair onderzoek zal zich hoe dan ook de vraag moeten stellen hoe het mogelijk is dat de overheid tot zo’n drastische hervorming van het gehele onderwijsstelsel overgaat en daarbij ook nog eens centralistisch een didactiek oplegt, zonder dat daar enige ‘evidence based’ grondslag voor bestaat. Daarbij verdient de verkapte introductie van het nieuwe leren in de tweede fase van het voortgezet onderwijs bijzondere aandacht, omdat deze didactiek inmiddels in vrijwel alle sectoren van het onderwijs wordt geïmplementeerd, terwijl de resultaten ervan op zijn zachtst gezegd teleurstellend zijn; dat was in de VS al bekend toen men er hier nog mee moest beginnen. Dit feit maakt duidelijk dat zich rond ons onderwijs al jarenlang een bureaucratische en beleidsmatige schil heeft gevormd die er uitgesproken ideologisch gekleurde onderwijskundige opvattingen op nahoudt, die ook het parlement het zicht heeft ontnomen op wat er nu eigenlijk aan de hand is. Het is mede deze schil geweest die de geluiden van leraren en docenten in de kiem heeft gesmoord en die ervoor heeft gezorgd dat er nauwelijks een noemenswaardig maatschappelijk debat over de toekomst van ons onderwijs is gevoerd. Die tijd is gelukkig voorbij.

Wat echter nog lang niet voorbij is, is de macht van die bureaucratische en beleidsmatige schil. Sterker nog, de invloed daarvan is de laatste jaren alleen maar verder toegenomen, omdat sinds het aantreden van minister Maria van der Hoeven, onderwijsinstellingen veel autonomer zijn geworden. Die instellingen zijn mede door toedoen van de overheid ware onderwijsconglomeraten geworden die weliswaar worden gefinancierd met publiek geld, maar onder invloed van perverse prikkels sterk bedrijfsmatig zijn ingericht om zoveel mogelijk scholieren en studenten te laten in- en uitstromen. De overheid heeft zodoende zelf een systeem in het leven geroepen dat gesjoemel in de hand werkt en de waarde van diploma’s ondermijnt, omdat kwantiteit en productie in plaats van kwaliteit centraal zijn komen te staan. Daarbij treedt er een ongezonde wisselwerking op tussen marktgerichte economische overwegingen van de kant van bestuurders en het management en didactici die het nieuwe leren propageren, omdat bijvoorbeeld de reductie van het aantal contacturen en het vervangen van goed opgeleide docenten door laagbetaalde coaches ‘winst’ oplevert.

Het is dan ook een volstrekte illusie te menen dat het onderwijs momenteel kan worden verbeterd door simpelweg meer geld ter beschikking te stellen. Allereerst zal men de bestaande machtstructuren moeten openbreken en de mechanismen die daarin werkzaam zijn moeten ontmantelen, anders blijft alles bij het oude.

Daarmee zijn we aangekomen bij de belangrijkste opgave van een parlementair onderzoek. De commissie zal zich vooral de vraag moeten stellen wat er de laatste decennia eigenlijk is gebeurd met de kwaliteitscontrole van het onderwijs.

Wat voor mechanismen hebben ervoor gezorgd dat studenten die het hoger onderwijs binnenstromen niet over elementaire kennis en vaardigheden beschikken die men zich feitelijk al in het basisonderwijs eigen had moeten maken?

Wat is er de afgelopen veertig jaar precies gebeurd met het niveau van de centrale examens in het voortgezet onderwijs, niet alleen qua moeilijkheidsgraad, maar ook wat de beoordeling betreft?

Wat is eigenlijk de rol van de onderwijsinspectie geweest bij de implementatie en controle van alle onderwijsvernieuwingen? Wat is er gebeurd met tegengeluiden en kritiek op de vernieuwingen en de evaluatie daarvan, ook binnen de inspectie zelf? Wat is daarbij de rol geweest politici en het ministerie?

Waarom is men zich in toenemende mate op de inrichting van het onderwijsproces gaan richten, wat niet alleen diversiteit van benaderingen bemoeilijkte, maar waardoor de feitelijke opbrengst, de eindkwaliteit die geleverd wordt, steeds meer uit het zicht is verdwenen?

Hoe is het mogelijk dat zelfs op veel lerarenopleidingen in het hbo de vakinhoud van het vak waarin men gaat doceren het ondergeschoven kindje is geworden?

Wat voor verbanden bestaan er tussen inspectie, ministerie, onderwijsadviesbureaus, -centra, accreditatieorganen en directies van onderwijsinstellingen?

Hoe verloopt de accreditatie van onderwijsinstellingen precies en wat is de rol van de Voorbereidende en Beoordelende Instanties die op commerciële basis zowel advies geven als visitaties afnemen?

Hoe komt het dat we in een publiek onderwijsbestel leven waarin de diversiteit van benaderingen heeft plaatsgemaakt voor een steeds uniformer wordend stelsel, terwijl de resultaten daarvan kwalitatief onder de maat zijn – wat nog maar heel kort wordt toegegeven – en de uitval onacceptabel groot is?

Hoe lopen de financiële stromen binnen het onderwijs, hoeveel wordt feitelijk nog besteed aan het primaire proces en hoeveel gaat er nu eigenlijk op aan de almaar uitdijende bureaucratische en beleidsmatige schil?

Vermoedelijk is er een enquête voor nodig om ook dat boven tafel te krijgen. Eén ding is namelijk maar al te goed duidelijk geworden, namelijk dat het bedrijfsmatige denken in termen van productie en geld onze onderwijscultuur heeft verziekt. Zodra het mensen namelijk niet meer gaat om de liefde voor een vak en het met liefde opleiden van leerlingen en studenten om hen voor het leven wat mee te geven, dan wordt het onderwijs berooft van zijn ziel.

Laat een parlementair onderzoek zich vooral richten op deze vragen, omdat ons onderwijs alleen verbeterd kan worden wanneer de huidige machtsstructuren en de mechanismen daarin worden blootgelegd. Alleen door de ‘systeemfouten’ te veranderen en een nieuwe mentaliteit in onderwijsland te stimuleren, valt er werkelijk iets te veranderen aan de huidige situatie en kan kwaliteitsverbetering worden gerealiseerd.

Met het oog op dat laatste doet Beter Onderwijs Nederland samen met het Interstedelijk Studenten Overleg enkele suggesties, hiernaast te lezen. In de hoop dat degenen aan wie de kiezers hun vertrouwen hebben gegeven, zich bewust zijn van de grote maatschappelijke verantwoordelijkheid die zij hebben ten aanzien van ons onderwijs. Daarmee valt of staat namelijk de toekomst van ons land.

Zie ook het artikel over het ‘nieuwe leren’ in het Zaterdags Bijvoegsel.

Op beteronderwijsnederland.nl zijn onder andere een manifest van deze organisatie en een tienpuntenplan te lezen.