Fenomeen van de fatale termijn doet bouw geen goed

Het hoofdartikel `Instortende gebouwen` (NRC Handelsblad, 16 januari) geeft een uitstekende analyse naar aanleiding van het hoofdrapport `Gebroken hart` van de Onderzoekscommissie Bos en Lommerplein.

Wat in de discussie onderbelicht blijft is dat de realiteit in sommige opzichten nog onthutsender is dan het rapport van de Onderzoekscommissie laat zien. Dat houdt verband met het fenomeen van de fatale termijn. B en W moeten binnen twaalf weken beslissen over een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning en kunnen deze termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen (art. 46 lid 2 Woningwet). Wanneer B en W niet tijdig beslissen, is de bouwvergunning van rechtswege verleend (art. 46 lid 4). De aanvrage is dan ingewilligd zonder dat de gemeente het plan heeft getoetst aan criteria van onder meer veiligheid en gezondheid. Overschrijding van de fatale termijn heeft zich in de casus Bos en Lommerplein niet voorgedaan. Om die reden heeft de Onderzoekscommissie deze thematiek niet verder uitgewerkt. In een bijlage laat de commissie wel zien dat zulke overschrijdingen zich recentelijk hebben voorgedaan in het Amsterdamse stadsdeel Slotervaart. Indirect gevolg van de invoering van de fatale termijn is dat dit het opknippen van een gebouw in meer bouwvergunningen in de hand werkt (de termijn geldt voor elke vergunning afzonderlijk) en voorts dat in het gemeentelijke bouw- en woningtoezicht de nadruk valt (kwantitatief en kwalitatief) op de binnendienst (plan toetsing). Het toezicht op de bouw is dan veelal sluitpost: een ongewenst verschijnsel. Zeker nu in de bouwsector zich de laatste jaren zoveel ernstige onvolkomenheden manifesteren, moeten er grote vraagtekens worden gezet bij een verlening van een bouwvergunning van rechtswege, dus zonder een toetsing van het plan aan eisen van veiligheid en gezondheid.

    • Hugo Priemus
    • lid Onderzoekscommissie Bos
    • Lommerplein