Eerst je gezag, dan pas je macht

Uit onvrede over de duur van zijn KNVB-contract stond hij tijdelijk buitenspel. Maar arbiter Dick Jol (50) hield voet bij stuk en zwaait daardoor over drie jaar pas af. „Ik werd niet waardig behandeld.”

Dick Jol met zijn hond Harry. „Voetballers zijn net kleine kinderen in een snoepwinkel.” Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold den haag dick jol foto rien zilvold Zilvold, Rien

De spits van FC Den Bosch (Frank Demouge) glijdt samen met de uitgelopen doelman van Haarlem (Erik Heijblok) over de achterlijn buiten het zestienmetergebied. De bal ligt echter nog in het speelveld. Als de spits wil opstaan wordt hij door de doelman vastgehouden. Arbiter Dick Jol geeft de sluitpost een gele kaart en beslist: scheidsrechtersbal. Iedereen verbijsterd. De overtreding werd immers buiten het veld begaan. „Wij hebben toch op z’n minst recht op de bal”, zegt een boze speler van Den Bosch. „Dan moet jij ‘m even uitschieten”, zegt Jol tegen een speler van Haarlem. Hetgeen geschiedt. De 3.500 toeschouwers op de tribune begrijpen er niets meer van.

Het voorbeeld toont hoe Jol (50) problemen soms op geheel eigen wijze oplost. Met zijn verbale kracht zorgt hij er vaak voor dat de sfeer goed blijft in het veld. „Ik kan de jongens beschaafd op hun lazer geven. Het gebeurt wel dat een speler tegen je zegt: ‘Het loopt niet hè, vandaag? Zit je niet lekker in je vel?’ Als zo’n speler dan een bal dichtbij het doel tien meter naast schiet, reageer ik: ‘Had je hem niet beter breed kunnen leggen?’

„Bij diezelfde wedstrijd Den Bosch-Haarlem vroeg een speler: ‘Fluit jij al lang?’ ‘Ben ik hier bij het eerste of het tweede’, riep ik. Dan begrijpen we elkaar weer. Na afloop kwam hij naar me toe. ‘Toppie gefloten, scheids’. Sommige scheidsrechters maken misbruik van hun machtspositie. Ik adviseer de jonge generatie: maak eerst gebruik van je gezag en grijp dan pas naar je macht. Voetballers zijn net kleine kinderen in een snoepwinkel: geef ze een vinger en ze pakken je hele hand.”

In 1996 won Jol een rechtszaak van de KNVB toen de bond hem zijn scheidsrechterbadge had afgenomen wegens een vermeende gokkwestie, die nooit werd bewezen. Tien jaar later stond hij weer tegenover de voetbalbond. Nu ging het onder andere over de duur van zijn contract. Jol is een man die staat voor zijn principes en voor zijn rechten opkomt. Het had ook einde loopbaan kunnen zijn. „Ik werd niet waardig behandeld. Op zo’n moment ben ik misschien een indiaan. Jammer dat het zo moest. De arbitrage hoort niet in een negatief daglicht te staan. Het zou allemaal in harmonie moeten gaan.”

Jol kwam met succes uit de onderhandelingen en hij mag nu tot 31 december 2009 doorfluiten. Hoewel hij bij zijn rentree van het weekblad Voetbal International vijf sterren kreeg voor de arbitrage van FC Den Bosch-Haarlem (zeer goed, het hoogst haalbare), werd hem voor gisteravond Emmen-Cambuur toegewezen. Jol haalt zijn schouders op. „Daarvoor moet je in Zeist zijn”, zegt hij diplomatiek. „Een voetballer die even geblesseerd is geweest, keert soms ook terug via het tweede elftal.” En als hem wordt voorgehouden dat het een belediging zou zijn als een scheidsrechter met zijn capaciteiten en ervaring om welke redenen dan ook wordt weggedrukt in de kelder van de eerste divisie: „We leven in het democratische Koninkrijk der Nederlanden. Laat het volk maar beslissen.”

Hij zegt met evenveel plezier naar de Langeleegte in Veendam te rijden, als naar De Kuip in Rotterdam. „Ik ben klaar voor iedere wedstrijd. Natuurlijk geeft het meer voldoening als je in een volle Kuip mag fluiten of in het stadion van PSV. Het beleid is er nu eenmaal op gericht dat de internationale arbiters de traditionals leiden. Daartoe behoor ik niet meer. Geeft niet, er blijven genoeg leuke wedstrijden over. Ze zien mij bovendien nog graag komen. Na afloop is het net een receptie, moet ik altijd 22 handen schudden. Best prettig. Maar als spelers een keer over jou piepen, moet je dat ook accepteren.”

De voetbalwereld heeft Jol veel gegeven. De op 29 maart 1956 geboren Scheveninger werkte in het verleden als brood- en banketbakker, matroos, magazijnchef, opperman in de bouw en bedrijfsleider in de horeca. Hij was ook profvoetballer, onder andere bij NEC en het Belgische Kortrijk. Hij fluit vanaf 1990 betaald voetbal. Op het hoogtepunt van zijn loopbaan leidde Jol de finale van het WK voor clubteams in 2000 en de eindstrijd van de Champions League tussen Valencia en Bayern München (2001). Hij kan er zich deels in vinden dat hij nu regelmatig voorrang moet geven aan jongere arbiters, met misschien wel minder kwaliteiten. „Maar het is ook voor hen goed als ze een stap terugdoen wanneer het een tijdje niet lekker loopt”, zegt Jol. „Je moet een jonge arbiter geen pijn doen. Alleen als hij goed in zijn vel zit, kun je hem gebruiken. Ik vergelijk jonge scheidsrechters altijd met een huis. Je kunt geen 25 jaar achterstallig onderhoud in drie weken renoveren. Een leerling is nog geen ervaren metselaar. Over vijf jaar heeft hij misschien wél die bak ervaring.”

Het fluiten is er bovendien niet gemakkelijker op geworden door de evolutie van het voetbalspel. Maar ook het toegenomen aantal camera’s langs de lijn wordt de arbitrage sneller op een fout betrapt. „Hoewel profvoetballers atletischer zijn dan vroeger, is het qua snelheid allemaal nog wel te belopen. Zeker als je je goed opstelt. Ik vind wel dat spelers sluwer zijn geworden. Vroeger was de arbitrage niet beter, maar anders. Als ik zie dat Wesley Sneijder in Groningen op het been van een tegenstander gaat staan, denk ik: jongen, waarom doe je dit? Je kan zó goed voetballen, dat heb je helemaal niet nodig. Als je geïrriteerd bent, speel dan iemand door de benen en maak een doelpunt! Spelers beseffen ook niet dat ze een voorbeeldfunctie hebben. Als een scheidsrechter zo’n overtreding niet waarneemt, hebben zijn collega’s in het amateurvoetbal er weken last van.”

Sommige blunders van arbiters zijn stuitend. Zoals Eric Braamhaar bij Ajax-AZ een trap van Klaas Jan Huntelaar op de knie van Simon Cziommer onbestraft liet, terwijl hij er met zijn neus bovenop stond. Jol kent het verschijnsel. „Je staat er, je ziet het en je doet niets. Een black-out. Je realiseert het je pas bij het zien van de tv-beelden. Na zo’n moment kan de stemming op het veld en op de tribunes flink veranderen. De menigte heeft vaak gelijk.”

Het verbale geweld op de velden kreeg in december extra aandacht door scheldkanonnades van Sneijder („blinde tyfushond”) en Kenneth Perez („kankerneger”). Jol trekt een simpele conclusie.„Wesley zal dit niet voor de eerste keer in zijn leven op het veld hebben geroepen. Die andere keren is het getolereerd of niet gehoord. Ik herken dit gedrag overigens niet van hem. Hij zal gefrustreerd zijn geweest over iets dat is voorgevallen in de kleedkamer of op het veld. Het blijft moeilijk voor een scheidsrechter om te bewijzen wie wat heeft gezegd. Het schelden of vloeken gebeurt meestal achter je rug. Dan draai je je om en zie je twee spelers lachen of een onschuldig gezicht trekken.”

Trainers mogen elkaar volgens de code van de belangenvereniging CBV niet bekritiseren, maar ze vallen na de wedstrijd wel regelmatig uit naar de arbitrage. In bepaalde gevallen kan Jol daar nog mee leven. „Ik vind het wel vervelend als coaches mij bij het verlaten van het veld een klauw geven en niets zeggen. Maar vervolgens op de persconferentie losbarsten. Dat is niet eerlijk. Ik heb het ten eerste niet met opzet gedaan. En ten tweede ben ik ook maar een mens. Als een trainer na de wedstrijd tegen mij zegt ‘Dick het was dramatisch vandaag, je hebt de wedstrijd beïnvloed’, is-ie een kerel. Dan bel ik hem ’s avonds als blijkt dat ik het niet goed heb gezien.”

Jol kan niet ontkennen dat scheidsrechters zich in sommige gevallen tijdelijk of definitief bij bepaalde clubs of in bepaalde stadions niet meer vertonen. Zo fluit Jan Wegereef uit veiligheidsoverwegingen niet meer in De Kuip. „Het is wel eens beter dat een scheidsrechter wegens gedrag van spelers of publiek niet wordt aangewezen voor club A of B. Maar na een paar maanden moet dat over zijn. Zelf heb ik dit vorig seizoen meegemaakt na NEC-Roda JC. Ik floot een hele slechte wedstrijd. Dat wist ik dondersgoed na het zien van de beelden. De KNVB werkt er dan aan mee dat je een tijd deze clubs ontloopt.”

Jol doet meer dan alleen fluiten. Hij is ook voetbaltrainer van de zaterdagamateurclub Berkel. De Hagenaar heeft een kleine BV en geeft lezingen. Hij werkt mee aan het masterplan arbitrage van de KNVB, waarin hij clubscheidsrechters probeert te verleiden een spelregelcursus te volgen en ook eens een wedstrijd met „22 vreemde gassies” te fluiten. Verder geeft Jol met KNVB-docent Paul van der Zwaan les op scholen in het voortgezet onderwijs. Zoals nu in Leiden. „Dat gaat over spelregels: thuis, op straat en op school. Waarom zijn ze er? Hoe ga je er mee om? Wat zijn de sancties? Je brengt zo wat normen en waarden bij. In elk gezin zijn andere regels. In een klas met twintig leerlingen krijg je dus grote verschillen.”

Zijn grootste passie blijft het betaald voetbal. Het fluiten houdt bij Jol niet op na de wedstrijd. „Op het gebied van voetbal eet ik alles. Van sportbladen tot praatprogramma’s op tv. Ik volg zo in de media wat er leeft bij een club. Dat kan belangrijk zijn in de wedstrijd omdat spelers daarop reageren. Hetzij positief, hetzij negatief. Je kunt het gedrag van een voetballer niet veranderen, wel tijdig beïnvloeden. Nu is de transferperiode voor ons van belang geweest. Veel spelers komen uit voor een andere club. Waren ze teleurgesteld bij hun oude club? Dan kan zo’n gozer te enthousiast zijn.”

Jol voelt zich niet geroepen in Zeist als docent op te treden. Maar hij zou de jongere collega’s genoeg kneepjes van het vak kunnen bijbrengen. „Ik word ingehuurd als scheidsrechter en dat is het. Als je het spelregelboek uit je hoofd leert, ben je nog geen goede scheidsrechter. Je moet inzicht hebben in het spelletje. Goed positie kiezen. Je moet bijvoorbeeld weten wie de specialisten zijn bij een vrije trap. Vaak hoor je ze van tevoren met elkaar afspraken maken en dan weet je waar de bal gaat vallen. Dat heeft met herkennen van kwaliteit te maken. Als er veel spelers op een kluitje staan, valt het niet mee om te zien of er overtredingen worden gemaakt. Het is een moeilijk vak. Als het spel vaak op en neer gaat bij countervoetbal, kan de accu leeg zijn aan het einde van de wedstrijd. Dan neemt je waarnemingsvermogen af. Een scheidsrechter krijgt tienduizenden signalen per seconde. Als je niet fluit beslis je ook.”

    • Erik Oudshoorn