De schrijver en zijn immense pelgrimage

De zesde held van Maria Stahlie is de Amerikaanse schrijver John Cheever. Zij beschouwt hem als haar leermeester.

Niet lang na de verschijning van mijn eerste boek in 1987 - Unisono, een korte roman - kreeg ik van iemand die het goed met me voorhad The Stories of John Cheever. Het boek bevatte vierenzestig van de meer dan tweehonderd verhalen die Cheever (1912-1982) had geschreven. Al na een paar verhalen herkende ik in hem niemand meer of minder dan mijn leermeester. (Het kwam toen niet bij me op dat een discipel zich niet zomaar een meester kan toeëigenen en dat de Amerikaanse auteur, als hij nog geleefd zou hebben en op de hoogte zou zijn geweest van mijn plannen voor onze verstandhouding, zeer waarschijnlijk in overeenstemming met iedere mystieke traditie het volgende gezegd zou hebben: 'Beste Maria Stahlie, de band tussen een meester en een discipel is zo verheven dat het wel erg vermetel van ons zou zijn om er louter op grond van een impuls aan te beginnen.') In Unisono stond de intuïtie centraal dat de afgronden tussen hedendaagse mensen, dat de in pure individualiteit uitgekristalliseerde smaken en tonen en overtuigingen alleen aan de oppervlakte bestonden. Ik wilde verbeelden hoe alle mensen in wezen buitengewoon gelijkgestemd reageren op de dingen van de wereld... tenminste, als ze zich ertoe kunnen zetten om zich te ontspannen en afstand te nemen van de vaste kunstgrepen waarmee ze hun openbare identiteit op peil proberen te houden. Het was een onrijpe intuïtie, dat was wat de verhalen van John Cheever me onthulden. Uit de 819 bladzijden van The Stories rees de voldragen, de complex-lumineuze versie van die intuïtie voor mijn ogen op.

Het favoriete hoofdpersonage van John Cheever is geboren in een klein Amerikaans stadje, hij heeft een deel van zijn werkende leven in Manhattan gewoond en is uiteindelijk naar de suburbs verhuisd. Hij gaat met de trein naar zijn werk, is getrouwd, een jaar of veertig en kerkganger. Hij drinkt te veel, beweegt zich tussen trouw en ontrouw, is niet alleen nostalgisch maar ook geneigd tot geweld, wreedheid en depressie. Zijn val in de afgronden van eenzaamheid en egoïsme wordt echter voorkomen door ervaringen met unieke en grillige kwaliteiten in zijn eigen karakter, of in de wereld om hem heen. Vlagen van levenslust en plotselinge ontvankelijkheid voor de pracht van avondlicht, sneeuwvlokken, een zonnig en drukbevolkt strand tillen hem op. Hoewel zijn isolement nooit voorgoed wordt doorbroken, zweert hij in zijn helderste momenten bij de waarden die van oudsher besloten liggen in het gezinsleven en het gemeenschapsleven.

Veel van Cheevers verhalen kennen een stramien dat hem - en mij - nooit ging vervelen.

In een opeenvolging van overzichtelijke, realistische, vaak somber stemmende gebeurtenissen nemen de Amerikaanse, twintigste-eeuwse eigenschappen van de personages boventijdelijke vormen aan en wordt er met geestige, lyrische, zinderende zinnen toegewerkt naar een moment van 'radiance', van loutering, naar een flits waarin zo'n getransfigureerde Amerikaan inziet dat licht ouder is dan duisternis en dat waarachtig contact tussen stervelingen niet bij voorbaat is uitgesloten. Hoewel er in zijn latere verhalen en romans sprake is van een minder groot vertrouwen in het bestaan van louterende ervaringen, kan het een lezer - tussen de regels door - niet ontgaan dat Cheever ons met zijn verbeelding een wereld aanbiedt die, zowel in zijn chaos als in zijn op de chaos veroverde orde, meer betekenis bezit, meer menselijkheid, meer helderheid en meer bevlogenheid dan onze dagelijkse wereld.

Ik beschouwde John Cheever als mijn leermeester, ik wilde leren. Hij had geen essays geschreven en daarom nam ik mijn toevlucht tot interviews. Tot mijn opgetogenheid bleek hij ook in zijn uitspraken over literatuur een man naar mijn hart. In tegenstelling tot het in Nederland behoorlijk verbreide idee dat het potsierlijk is om over 'de taak van de schrijver' te spreken, schatte Cheever de missie van een schrijver hoog in: 'Literatuur moet ernaar streven een immense pelgrimage te zijn, een monument van hoge verlangens... alleen dan kan een samenhangend en doorlopend verslag gegeven worden van onze strijd om een luisterrijke invulling aan ons bestaan te geven.' Schrijven was voor Cheever 'de bij uitstek nuttige, zinvolle bezigheid', een bezigheid die de schijn van een droom had maar de willekeur van een droom volkomen achter zich liet: 'Ik ken geen groter genoegen dan het op elkaar betrekken, in een verhaal, van uiteenlopende gebeurtenissen die vervolgens - tegen iedere verwachting in - met elkaar gaan resoneren. Een verzonnen verhaal kan zo de intuïtie bevestigen dat ook het bestaan zich als een creatief proces voltrekt, dat de lotgevallen in het leven vol bedoeling op elkaar worden gestapeld, dat wat verloren gaat in de ene situatie hersteld wordt in de volgende, en dat we tot op zekere hoogte in staat zijn om te bevatten wat de zin is van al onze inspanningen.' Niet alleen over het weergaloze bestaansrecht van literatuur maar ook over de stijl van zijn voorkeur sprak mijn literaire leraar woorden die me als muziek in de oren klonken: 'Je kunt als schrijver met woorden een verhaal laten opzwellen of indikken. Tegenwoordig vind ik de indikkingstechnieken verachtelijk. Als beginnend schrijver dacht ik dat karige taal briljant was. Maar nu ik ouder ben en meer ervaring heb, acht ik het mijn verantwoordelijkheid om met extra details een personage of een gebeurtenis over de rand van de gangbare maat te duwen.'

En om het feest voor mij compleet te maken... het bleek dat mijn leermeester als hij niet schreef een groot liefhebber was van het hakken van hout, van schaatsen, zwemmen, skiën, fietsen en honkballen. Als het maar even kon, dan ging John Cheever buiten spelen.

Er is een grote inzinking geweest in mijn bewondering voor de schrijver van mijn dromen, een inzinking die ontstond toen ik The Journals (1991), een selectie uit zijn dagboeken las. Eigenlijk had ik gewaarschuwd moeten zijn: Cheever heeft tijdens zijn leven herhaaldelijk benadrukt dat 'good writing' zo uitstijgt boven het feitelijke leven van een schrijver dat iedere nadere kennismaking met dat leven een lezer tot grove misduidingen kan brengen. Het is dus met open ogen dat ik in de val ben gelopen.

De dagboekaantekeningen (beginnend in 1952 en eindigend in 1982, zijn sterfjaar) bevatten weliswaar scherpzinnige observaties over mensen, dieren, landschappen en het Amerikaanse literaire leven, maar bestaan voor de rest uit een eindeloze reeks klaagzangen. Hij verdrinkt, jaar na jaar, in zelfmedelijden, zwaarmoedigheid, geilheid, navelstaarderij, gezeur over andermans gedrag, schuld over zijn steeds vernietigender drankgebruik, schuld over zijn biseksualiteit en over zijn overspel met zowel mannen als vrouwen. Hij heeft nergens verweer tegen, verliest iedere krachtmeting en slaagt er nooit langer dan een paar uur in om zichzelf geweld aan te doen.

Dit is waarom ik geschokt was na lezing van The Journals: de slappe egoïst, het onvolwassen monster van inhaligheid dat uit zijn dagboekbladzijden was opgerezen kon ik niet verenigen met de rijpe, allesbehalve naïeve zuiverheid die uit zijn literaire werk sprak. Het is een waarheid dat autobiografische feiten ver mogen afwijken van de bouwstenen van een verhaal, maar het is even waar dat - als een schrijver een lezer omver wil blazen - er een 'één-op-één-relatie' moet zijn tussen de autobiografische ziel en de ziel van een verhaal. Er was maar één conclusie mogelijk: ik was een sukkel geweest want ik had de valse, gewilde, hypocriete verhalen van John Cheever aangezien voor sublieme literatuur.

Het duurde maar liefst vijf jaar voordat ik besloot om nog eens een blik te werpen in The Stories van mijn voormalige leermeester. Tot mijn verbijstering - tot mijn blije verbijstering - kwamen zijn zinnen al binnen een paar bladzijden weer tot leven, en wat meer was, de adem van zijn verhalen raakte mij dieper dan toen ik The Journals nog niet had gelezen. Ik zag mezelf voor een mooie vraag gesteld: stond de theorie van de schrijver Cheever toch minder haaks op de praktijk van de mens Cheever dan ik - beledigd want bedrogen uitgekomen - had besloten?

Ik keerde terug naar de dagboekaantekeningen en las het voorwoord van Cheevers oudste zoon Ben. Hij doet daarin kort verslag van de ontreddering teweeggebracht door 'de emotionele naaktheid' waarin zijn vader zich aan hem heeft getoond, en probeert de vaak beschamende ontboezemingen als volgt een plaats onder de zon te geven: 'Mijn vader zei altijd dat literatuur een van de eerste tekenen van beschaving was. Hij zei altijd dat een goed stuk proza niet alleen een depressie kon verhelpen, maar ook een verstopte voorhoofdsholte kon opklaren. Zoals de meeste grote heelmeesters wilde hij zichzelf genezen.' Ik kon me niet goed vinden in deze visie. Het verlangen naar de eigen genezing kwam me te inhalig en te subjectief voor... met de man die ik weer omarmd had als mijn leermeester moest er meer aan de hand zijn. Er moest een zwaardere reden zijn geweest voor John Cheever om zich - in eerste instantie voor zichzelf - zo ostentatief en hamerend te kijk te zetten als een in wezen ontaard mens.

Ik vond de oplossing bij een landgenoot van hem, bij de filosoof William James. Een van zijn tot mijn verbeelding sprekende uitspraken is: 'Er is een element van waarachtige kwaadaardigheid in de wereld dat ontkend noch ontlopen mag worden, een ontaarding die men met open vizier tegemoet moet treden en die men - door een beroep te doen op de heroïsche vermogens van de ziel - kan overwinnen.' Toen ik deze uitspraak over 'the real wrongness in the world' toepaste op de dagboekaantekeningen van Cheever, meende ik te begrijpen dat hij 'the wrongness' in zichzelf jaar na jaar niet ontliep noch ontkende en dat hij de beker keer op keer tot op de bodem leegde in de hoop op die manier van zijn 'onzuiverheid' gelouterd te worden.

De heroïsche vermogens in de ziel van John Cheever overtuigden hem ervan dat hij zijn leven lang met open vizier een woeste strijd moest leveren opdat hij als schrijver boven zichzelf kon uitstijgen en de hoge taak kon vervullen om met zijn verhalen vorm te geven aan de meest wereldwijze, de minst naïeve, bevestiging van de rijkdom van het bestaan.

Dit gezegd hebbende, is het de hoogste tijd om buiten te gaan spelen.

Maria Stahlie is schrijfster. Haar vorige helden waren John Cassavetes, Luigi Boccherini, Black Elk, Wislawa Szymborska en Lev Sjestov.