De pillen verdwenen, de recherche deed niks

Capaciteitsgebrek, een rel over een vertrekkende politiechef, en een verdwenen partij xtc-pillen. Het rommelt bij de Nationale Recherche.

Eind november van het afgelopen jaar krijgen rechercheurs van de zogenaamde Unit Zuid van de Nationale Recherche een ‘cadeautje’. De Belgische politie meldt dat er in Maastricht een partij xtc zal worden geleverd aan een Belgische verdachte. De Belgische recherche vraagt om assistentie.

Maar de Nationale Recherche moet de partij van 300.000 pillen laten lopen. Er zijn onvoldoende mensen om in te spelen op de informatie en de pillen verdwijnen uit het zicht in het Turkse criminele milieu, blijkt uit een schriftelijk verslag dat in het bezit is van NRC Handelsblad.

De transactie is voor de Nationale Recherche wel aanleiding om nadere actie te ondernemen. Onder de codenaam Hanerak wordt er een onderzoek gestart naar de drugslijn waarbij volgens de Belgische collega’s de vanuit Nederland aan Turkije geleverde xtc wordt betaald met heroïne. Binnen een week komt er weer informatie uit het buitenland dat er een nieuwe zending pillen uit Maastricht op stapel staat. Opnieuw heeft de Nationale Recherche geen mensen beschikbaar en wordt er in Nederland niet ingegrepen. Uiteindelijk wordt de partij pillen, 200.000 stuks dit keer, in Duitsland onderschept.

In januari 2007 herhaalt dit scenario zich en verdwijnen er weer pillen in het criminele milieu. Een justitiewoordvoerder bevestigt het bestaan van het Hanerak-onderzoek maar stelt dat er niets bekend is over in het criminele circuit verdwenen xtc-pillen. „Er is één zending met pillen in Duitsland onderschept, daar zijn wij achteraf over geïnformeerd.”

Dat is opmerkelijk. De informatie over de eerste partij verdwenen pillen was immers de aanleiding om het Hanerak-onderzoek te starten. Noch de Nationale Recherche, noch het Openbaar Ministerie wil verder ingaan op de zaak.

Het is niet de eerste keer dat de Nationale Recherche in conflict komt met de top van justitie. Onlangs werden topman Tom Driessen van de Nationale Recherche en diens baas Peter van Zunderd van het Korps Landelijke Politiediensten nog hardhandig terecht gewezen toen zij de herintroductie bepleitten van omstreden opsporingsmethoden als de burgerinfiltrant en het doorlaten van drugs.

CDA-minister van justitie Hirsch Ballin verklaarde in de Tweede Kamer dat er voor dat soort IRT-methoden in Nederland geen plaats meer is.

Daarmee is de discussie echter nog niet voorbij. Binnen de Nationale Recherche speelt naar aanleiding van een reorganisatieplan een intern conflict over de werkwijze van de Nationale Recherche. De ruzie roept herinneringen op aan hét mijnenveld uit het recente politieverleden: de IRT-affaire. Deze affaire - een hoog opgelopen ruzie over de inzet van informanten die met medeweten van politie en justitie grote partijen drugs leverden in de hoop dat daarmee de top van de Nederlandse drugsmaffia kon worden ontmaskerd - leidde in 1996 tot het ontslag in van Ernst Hisch Ballin, toen ook minister van justitie.

De reorganisatie van de Nationale Recherche is op het eerste gezicht een ‘gewone’ reorganisatie. De Nationale Recherche, die in 2004 werd opgericht, bestaat uit zes regionale eenheden. Naast de algemene taak om terrorisme en de zware, georganiseerde en grensoverschrijdenden criminaliteit te bestrijden, houdt de dienst zich bezig met informatie-uitwisseling en expertise-ontwikkeling. De regionale teams werkten tot op heden zelfstandig, maar daar moet verandering in komen. De korpsleiding wil dat medewerkers die bezig zijn met het vergaren, verdelen en uitwisselen van informatie vanuit één centrale locatie gaan werken.

Het interne conflict over de reorganisatie kwam aan de oppervlakte na een relletje rond politiecommissaris John Olierook, die eind vorig jaar tijdelijk op non-actief werd gesteld na een omstreden interview over het onderzoek naar Willem Holleeder.

Olierook zal de Nationale Recherche op korte termijn verlaten. Dat vertrek hangt samen met zijn kritiek op de reorganisatie van de Nationale Recherche, zo verklaren bronnen binnen de Nationale Recherche en het Openbaar Ministerie. Olierook wordt een gebrek aan loyaliteit aan de leiding verweten. Maar dat neemt niet weg dat er achter dit conflict volgens ingewijden een strategisch verschil van inzicht schuilgaat. Een strijd tussen de praktisch ingestelde rechercheurs en de meer analytisch aangelegde criminaliteitsbestrijders.

Het pleidooi van de korpsleiding in de personen van Tom Driessen en Peter van Zunderd voor het inzetten van opsporingsmiddelen als burgerinfiltratie en het bewust doorlaten van drugs, is dan ook niet toevallig. In zekere zin is er sprake van de aloude richtingenstrijd tussen het recherchewerk van voor de IRT-affaire en van na de IRT-affaire.

Het klassieke opsporingsmodel dat binnen de Nationale Recherche veel gebruikt wordt, is vooral gebaseerd op wat in het jargon tactisch recherchewerk heet: telefoons tappen en observeren. Bij de identificatie van verdachten wordt nog wel gebruik gemaakt van inlichtingen uit het criminele milieu en bestaande expertise van bepaalde criminele netwerken, maar vervolgens wordt het bewijs verzameld met de normale, vaak zeer tijdrovende, recherchetechnieken. Het is de aanpak van de Amsterdamse school, niet toevallig het korps waar John Olierook groot is geworden.

In een recherchemodel waarbij gebruik wordt gemaakt van burgerinfiltranten en het doorleveren van partijen drugs, wordt informatie uit het criminele milieu veel belangrijker. Informanten uit het criminele milieu en de agenten door wie zij worden gerund, krijgen daarmee een grotere invloed op het recherchewerk. Als dat goed werkt, kan met het doorlaten van een partij drugs, simpel gezegd, het uiteindelijke bewijs worden vergaard. Het wordt ook wel het Haagse model genoemd, naar het Haagse Copa-team dat onderzoek deed naar de cocaïne-smokkelbende van voormalig Surinaams legerleider Desi Bouterse. Leider van dat team was Tom Driessen, de huidige baas van de Nationale Recherche.

Met het aanstaande vertrek van Olierook lijkt het conflict binnen de Nationale Recherche beslecht, al stelt een woordvoerder dat er nog „geen definitieve beslissingen” zijn gevallen.

    • Jan Meeus