Bossocialisme voor praktijkexamen

Redacteur NRC Handelsblad

De vraag of Wouter Bos het kabinet in gaat of de fractie van de PvdA in de Tweede Kamer blijft leiden, gaat over meer dan een carrière-beslissing. Bijna iedereen in zijn partij is het er over eens dat het ministerschap de aangewezen weg is voor de man die de sociaal-democraten najaar 2002 redde uit de post-Fortuyn-depressie. Maar is het ook de beste weg voor de sindsdien gegroeide Partij van Bos (PvB)?

Er zijn twee redeneringen denkbaar. De eerste zegt: wel minister worden. Deze week door het partijbestuur en de meerderheid van de Kamerfractie bepleit. Ja, hij heeft tijdens de verkiezingscampagne gezegd dat hij premier zou worden als de PvdA de grootste was geworden. Zo niet, dan zou hij de fractie blijven leiden. Onder Balkenende minister worden was geen optie.

Goed, misschien niet zo handig stellige uitspraken te doen. Never say never. Maar het ging er vorig najaar om duidelijk te maken dat er wat te kiezen viel tussen een CDA-beleid (liefst met de VVD) of een ‘ander’ beleid. Nu een CDA-PvdA-kabinet, mèt de ChristenUnie, door de verkiezingsuitslag voor de hand ligt, is een nieuwe realiteit ontstaan. En, zeggen de voorstanders van Bos in het kabinet, het zou toch gek zijn als onze leider weken onderhandelt over een regeerakkoord en er vervolgens in de Kamer een beetje kritisch over moet lopen doen. Dat wordt halfslachtig.

Bovendien, hij kan veel beter dichtbij de bal blijven. In het kabinet wordt het spel gespeeld als zich nieuwe feiten voordoen waar het regeerakkoord niet in voorzag. Daar kan hij ook beter het Bos-karakter van het beleid bewaken. En Jan Marijnissen en Femke Halsema van repliek dienen. Als hij uit de Kamer de PvB moet profileren tegen de oppositie van de SP en GroenLinks, komt hij hopeloos klem te zitten. Want hij moet dan tegelijk een soort ambassadeur van het kabinet zijn.

PvdA-Kamerlid Diederik Samsom en oud-bestuurslid Bart Tromp (in Het Parool) zijn het er niet mee eens. Samsom, die erkent in een kleine minderheid te verkeren, wees er op Radio 1 op dat de PvdA in 2002 juist zo zwaar klop had gekregen omdat de leider in de ministerraad zijn eigen kleur had verloren. „Dat was toen ook de heldere conclusie. Dat moeten we niet meer doen.” Tromp herinnerde aan het kabinet-Van Agt-Den Uyl dat in 1982 uit elkaar viel na negen maanden gehakketak. Ook toen was de vraag geweest of het gezicht van de PvdA wel onder een CDA-premier minister moest worden.

Sociaal-democraten herinneren er verder aan dat de PvdA een monistische partij is. Hun fractie stelt zich van nature niet erg onafhankelijk op van een kabinet waaraan de partij deelneemt. Ja, zegt men, Bolkestein heeft het in de jaren ’90 wel geprobeerd maar dat stelde niet zo veel voor als het er op aan kwam. Bovendien, die rol ligt Bos minder. Als hij had gesmuld van een rol als parlementair roofdier, dan hadden we dat de afgelopen jaren wel gezien. Alles afwegend zegt een ingevoerde partijgenoot: „We krijgen wel spanningen met Wouter in het kabinet, maar de spanningen zonder Wouter in het kabinet zullen veel en veel groter zijn.”

Er is ook een tegengestelde redenering denkbaar. Wouter Bos heeft de PvdA bevrijd van de laatste ballast van een praktijk vol procedures en oppermachtige partijafdelingen die haar leiders met handen en voeten bond en bijna verhinderden het land mee te besturen. Bos is met zijn open oor en zijn sprekerskistje het hele land afgegaan. De PvdA is bijna geen partij van de arbeiders meer. Die herkennen meer in de ongeverniste taal van de SP van Jan Marijnissen. Als Wouter Bos, ondanks zijn ferme taal, nu toch het pluche en de dienstauto met chauffeur verkiest, loopt hij verschillende risico’s.

Minister Bos zal meer dan fractievoorzitter Bos honderd procent gebonden zijn aan het regeerakkoord. Tientallen bladzijden met zorgvuldig gekozen compromissen, staatscommissies voor de heikelste problemen (hypotheekrente, AOW?) – zijn mond zit halfdicht van de polderpleisters. Maar zijn Partij van Bos (PvB) was nog maar een politieke partij in wording. Het afschaffen van verouderde partijmechnismen is één prestatie, het scheppen en uitdragen van een sociaal-democratisch gedachtengoed voor de 21ste eeuw is een ander project. Het programma zag er niet slecht uit, maar het is tijdens de laatste verkiezingen onvoldoende tot leven gekomen.

Behalve Bos en Mei Li Vos was niemand zichtbaar, bleek uit een interne campagne-evaluatie. Dat is een smalle basis, ook al omdat de laatstgenoemde kandidaat de Kamer niet heeft gehaald. Het gevaar bestaat dat een half volgroeide PvB het kabinet ingaat en daar het lot van D66 ondergaat: in de voor- en hoofdwas van het CDA terechtkomen en na twee, drie jaar gebleekt en verweesd op de keien belanden. Dat risico is voor de Bossocialisten groter dan voor de Rouvoeters.

Met deze keus staat de PvB op een belangrijk kantelpunt. Dat bleek deze week ook toen het Kamerlid Mariëtte Hamer voorstelde een parlementair onderzoek (een lichte vorm van parlementaire enquête) in te stellen naar de vernieuwingen in het onderwijs van de afgelopen twintig jaar. Veel van die vernieuwingen vonden hun oorsprong binnen de PvdA, al werden zij bij invoering gesteund door Kamermeerderheden. Het onderzoeksidee heeft iets van maoïstische zelfkritiek, maar is vooral een uiting dat de kritiek van leerlingen, ouders en docenten op het massale niet-weten en niet-leren begint door te dringen.

Tegelijk leek het onderzoeksplan ook op een symptoom van onzekere koers binnen de PvB-fractie. De leider was bezig een kabinet te formeren, maar kwam niemand op de gedachte dat zo’n voorstel de broedende kippen kon verstoren? Bovendien is het wel een erg breed en vaag onderwerp van onderzoek. Iedereen kan zo’n onderzoek doen. Het parlement deed nuttig onderzoek (onder leiding van Adri Duijvestein) naar grote infrastructurele projecten en hield eerder de befaamde RSV-en bouwfraude-enquêtes. Daar ging het om het horen onder ede van personen die liever zwegen. Over onderwijs willen alle ex-bewindslieden al te graag praten. Nu de oplossingen nog.

Kortom, als Wouter Bos de knikkers gaat verdelen, wie bouwt dan verder aan zijn partij?

opklaringen@nrc.nl