Beleggen is net voetbal

Het (inter)nationale voetbal gaat snel ten onder aan de enorme commerciële belangen van clubbestuurders, trainers, makelaars, sponsors, organiserende instanties, spelers, pers en andere mee-eters. Net als de aandelenmarkt weleens onderuitgaat door een krach.

Geen van die belanghebbenden ligt nog wakker van de kwaliteit van het voetbal zelf, het schouwspel tijdens de allesbepalende periode van tweemaal drie kwartier op het veld. Het spelpeil verschraalt met de week. De marketing wint, op en buiten het veld.

De (sport)journalisten van dagbladen, tijdschriften, radio, televisie en internetsites doen er alles aan om deze ondergang te verhullen.

Je bijt immers niet in de hand die je voedt, anders kom je nergens meer binnen. Daardoor blijft het publiek dat de stadions vult, of de wedstrijden elders volgt, geloven in de aantrekkelijkheid van het ‘spelletje’. Je hoort immers niet anders.

Maar ze worden voor de gek gehouden. Net als beleggers bij almaar oplopende koersen (hype of hausse) denken dat ze kunnen verdienen door tegen elke prijs mee te doen.

Een aangeklede training van het Nederlands elftal tegen een ander land wordt verkocht (marketing) als een belangrijke interland. Het stadion stroomt vol met supporters uit het hele land, die daarvoor een flinke toegangsprijs betalen.

Wat zien ze dan? Een veld met 22 multimiljonairs die elkaar ontzien, omdat het een onderonsje is, ze soms voor dezelfde club spelen als hun tegenstander én omdat er helemaal niets op het spel staat. De volgzame pers verslaat en analyseert die poppenkast alsof er niets belangrijkers is.

Een ander fenomeen is de transferperiode, de slavenmarkt van de voetbalwereld. Die van januari sloot woensdagnacht om 00.00 uur. Spelers moeten vaak verhandeld worden, want dat levert veel geld op voor alle betrokkenen. Net als beleggingsfondsen (indirect) verdienen aan het frequent kopen en verkopen van aandelen.

Hoewel? Er zijn natuurlijk verliezers, maar daar hoor je de coaches, bestuurders en spelers niet over. Die lui volgden allemaal de cursus ‘perscontacten’, waardoor hun antwoorden voorspelbaar en nietszeggend zijn. De interviewers spelen zo’n toneelstukje mee, anders belanden zij op de lijst van ongewenste personen, een soort stadionverbod.

De échte verliezers zijn natuurlijk de supporters. Door de vele wisselingen is een gemiddeld eredivisieteam in twee seizoenen bijna geheel vernieuwd. Waar ben je dan aanhanger van? Van het stadion? Van de clubkleuren? Van de clubhistorie? Ook hier geldt: resultaten uit het verleden zijn geen garantie voor de toekomst. Je bent gewoon fan van een illusie, die door alle belanghebbenden nietsontziend in stand wordt gehouden.

In feite zijn voetbalclubs net beleggingsfondsen. Beide moeten het op de korte termijn beter doen dan hun concurrenten. Een beproefde tactiek is goedkoop te kopen en voor (flink) meer te verkopen. Zo schuimen fondsbeheerders en scouts de hele wereld af op zoek naar koopjes.

Daardoor gaan de eredivisieteams op elkaar lijken. Een paar goedkope Afrikanen, één of twee dure Zuid-Amerikanen, een plukje Oost-Europeanen en een beleefde, verstaanbare Vlaming. Misschien een Scandinaviër of een verdwaalde Fransman. Maar je kan niet zonder een Nederlander anders kan er niemand verstaanbaar en zonder middelvinger bij de scheidrechter protesteren en de pers te woord staan.

De moraal? Koop goedkoop en verkoop duurder, levert vaak het meeste op. Arme supporters.