Afslagje hier, baantje daar

Nederland verrommelt. Als het zo doorgaat, is volgens rijksbouwmeester Mels Crouwel binnenkort het oude Hollandse landschap verdwenen. De overheid moet het heft weer in handen nemen.

Rijksbouwmeester Mels Crouwel is over de helft van zijn ambtstermijn. Toen hij in 2004 aantrad om de overheid enkele dagen per week adviezen te geven over architectuur, had hij zich voorgenomen dit vier jaar te doen. Spijt heeft hij niet van zijn beslissing om minder aandacht te besteden aan zijn goedlopende architectenbureau Benthem/Crouwel, dat nu onder meer werkt aan de uitbreiding van het Stedelijk Museum in Amsterdam. „Rijksbouwmeester is een mooie baan”, zegt hij in het atelier van de Rijksgebouwendienst in Den Haag, dat is opgezet door zijn voorganger Jo Coenen. „Alles wat je kunt bedenken op het gebied van architectuur komt hier langs, van kleine tot grote gebouwen, van infrastructuur tot monumenten. Het is dan ook veel te veel voor één persoon. Daarom zijn er naast een rijksbouwmeester de afgelopen jaren ook rijksadviseurs voor het landschap, de infrastructuur en monumentenzorg in het leven geroepen.”

Hoe gaat het met de Nederlandse architectuur na ruim twee jaar Mels Crouwel als rijksbouwmeester?

„Op de Nederlandse architectuur heb ik geen directe invloed. De afgelopen jaren hoorde ik vaak beweren dat het feest van de Nederlandse architectuur voorbij is. Maar dat is slechts zeer ten dele waar. De bureaus die nieuwe dingen doen, zoals MVRDV en OMA, het bureau van Rem Koolhaas, hebben door de economische stagnatie misschien in Nederland moeilijke jaren achter de rug, maar in het buitenland hadden ze nog altijd veel succes. Nu de economie weer aantrekt, zie ik ook in Nederland weer een zonnige toekomst voor ze.

„Wel hoop ik invloed te krijgen op de architectuur van de rijksoverheid. Ik zou willen dat het milieubeleid dat VROM nu voert wordt vertaald in eisen die de rijksoverheid stelt aan gebouwen die ze laat bouwen. Wat duurzaamheid en flexibiliteit van gebouwen betreft, moet de overheid zelf het voorbeeld geven.”

Een van de opvallendste verschijnselen in het Nederland van de laatste tien jaar is de opkomst van nieuwe vestingstadjes vol traditionele huizen. Hoe staat u daar tegenover?

„Persoonlijk betreur ik deze ontwikkeling. Een architect kan zijn tijd beter besteden aan de verdere ontwikkeling van de architectuur dan aan teruggrijpen op iets dat we al kennen. Overigens begrijp ik het verlangen naar geborgenheid van sommige bewoners wel. In de naoorlogse woningbouw is daar lange tijd geen aandacht aan besteed en ging het eerst en vooral om de grote aantallen. Maar ik begrijp werkelijk niet dat iemand een huis wil dat van binnen helemaal is zoals elke nieuwbouwwoning en alleen een knusse buitenkant heeft, als een nep oud jasje. Dat noemden we vroeger kitsch. Je hebt toch ook geen bakelieten telefoon meer in huis, en zeker geen nagemaakte van plastic.”

Vroeger bouwde de rijksbouwmeester zelf. U niet, u adviseert slechts. Macht hebt u niet.

„Onze macht is anders dan die van de vroegere rijksbouwmeester, maar niet per se minder. Het college van rijksadviseurs is een van de weinige instanties voor overleg tussen verschillende ministeries over de gehele ruimtelijke inrichting van Nederland. Misschien is het jammer dat we slechts adviseurs zijn. Maar het heeft wel als voordeel dat we onafhankelijk zijn en kunnen zeggen waar het op staat.”

Vorig jaar deed u een oproep om op te treden tegen de ‘verrommeling’ van Nederland. Elf jaar geleden deed uw voorganger precies hetzelfde. Er wordt helemaal niet geluisterd naar de rijksbouwmeester.

„Een van de grote problemen bij de huidige ruimtelijke ordening is de ambtelijke verkokering. De ministeries van VROM, Economische Zaken, Verkeer en Waterstaat en Landbouw overleggen wel met elkaar, maar niet over een geïntegreerd beleid inzake de ruimtelijke ordening. Toch nemen ze allemaal afzonderlijke besluiten die grote gevolgen hebben voor de inrichting van Nederland. Neem nu bijvoorbeeld de nieuwe generatie windmolens. Die zijn zo groot als de Euromast in Rotterdam. Als Economische Zaken nu een subsidieregeling verzint die het iedere boer mogelijk maakt zo’n Euromast-molen op zijn erf te zetten, dan is de kans groot dat over een paar jaar die reuzen verspreid over het landschap staan. Dat zou een ramp zijn. Daarom moet je nu al, met alle betrokkenen, plannen maken voor de nieuwe windmolens. Misschien is het goed om een of twee plekken aan te wijzen waar ze bij elkaar staan. Dit is wat het college van rijksadviseurs doet: we brengen adviezen uit over de hele ruimtelijke ordening, van landschap en infrastructuur tot architectuur en monumenten.”

Maar ondanks de adviezen gaat de ‘verrommeling’ gestaag voort.

„Eigenlijk zouden we het woord verrommeling moeten afschaffen. Het veronderstelt dat we Nederland zouden kunnen opruimen, zoals je een rommelige kamer opruimt. Maar mijn zorgen gelden niet de witte hekken die je nu overal bij de nieuwe maneges ziet. Die kun je opruimen, maar de bedrijventerreinen die nu overal langs de snelwegen zijn ontstaan niet. Het gaat om iets anders dan verrommeling. Ik was laatst voor het eerst sinds vijf jaar in Delfzijl. Op weg daar naar toe zag ik precies dezelfde aaneenschakeling van bedrijventerreinen en nieuwbouwwijken als overal in Nederland. Dat kan toch niet de bedoeling zijn.”

U pleitte er vorig jaar ook voor om de goede, ouderwetse Nederlandse planning nieuw leven in te blazen. Dat heeft nog niet veel geholpen.

„Er wordt nu vooral gereageerd op incidenten. Onlangs besprak de Tweede Kamer bijvoorbeeld een brief van minister Winsemius over het open houden van de lege stukken tussen de bedrijventerreinen langs de snelwegen. Dat is niet meer dan reparatie van wat er mis is gegaan. Als Nederland een goed plan voor bedrijventerreinen had gehad, was dat niet nodig geweest. Of neem de infrastructuur. Nu komt er hier een extra afslagje en daar een extra baantje met als gevolg dat de OESO onlangs moest vaststellen dat de Randstad de slechtst bereikbare metropool van Europa wordt. Het is misschien een cliché, maar Nederland is groot en beroemd geworden door planning. Maar de Nederlandse traditie van ruimtelijke ordening is de afgelopen vijftien jaar zo goed als verdwenen.”

Hoog tijd dus voor de herinvoering van centrale planning?

„Wat ontbreekt is een visie van de rijksoverheid over hoe Nederland er in 2030 uit moet zien. En dan bedoel ik niet een blauwdruk, maar een richtinggevend idee. Waar gaan we nog bouwen? Welke van de vrijkomende landbouwgronden worden bestemd voor recreatie? En welke houden we in reserve voor nieuwe landbouw? Hoe pakken we de infrastructuur goed aan? Wat willen we behouden van ons culturele erfgoed? En vooral: wat gaan we herstructureren en opnieuw aanpakken? Het zal de komende tijd vooral gaan om de herinrichting van Nederland.”

Centrale planning is onlosmakelijk verbonden met het idee van de maakbare samenleving en dat is al twintig jaar geleden op de mestvaalt van de geschiedenis beland. Is uw pleidooi niet heel oneigentijds?

„Integendeel, het is juist heel eigentijds: op elke verjaardag kun je het luide geklaag over het dichtslibbende Nederland horen. Veel mensen ergeren zich groen en geel aan de bedrijventerreinen die overal langs de snelwegen opduiken en vinden dat er iets aan moet worden gedaan. Zelfs projectontwikkelaars pleiten nu voor een bouwstop van bedrijventerreinen. Het is juist raar dat de ruimtelijke inrichting van Nederland nauwelijks een rol heeft gespeeld bij de laatste verkiezingen, terwijl nu toch ook langzamerhand wel duidelijk is dat bijvoorbeeld ook de stijging van de zeespiegel vraagt om ingrijpende maatregelen. Alleen in twee partijprogramma’s kon ik een paar regels vinden over de inrichting van Nederland. En die zaten nog vol open deuren ook.”

Uw roep om centrale planning staat haaks op het beleid van de laatste kabinetten. De Nota Ruimte die de Tweede Kamer twee jaar geleden heeft aangenomen was juist een afscheid van het ‘blauwdrukdenken’. Valt uw pleidooi niet in heel onvruchtbare aarde?

„Op zichzelf is de Nota Ruimte een positief verhaal, vol goede bedoelingen en mooie wensen. Maar er staat nergens aangegeven hoe en met welke instrumenten die moeten worden bereikt. Het is dan ook de hoogste tijd dat een nieuw kabinet met een plan voor het toekomstige Nederland komt. Anders gaat wat we nog over hebben aan mooie landschappen voorgoed verloren.

„In zo’n vol en dichtbevolkt land als Nederland kan de ruimtelijke inrichting niet worden overgelaten aan de markt en de vrije economische krachten. Dat is kortzichtig en ook niet duurzaam. Het staat nu wel vast dat de markt er niet voor zorgt dat bijvoorbeeld distributiecentra op de geschiktste plekken terechtkomen. Er zijn tal van gemeenten die een distributiecentrum binnen hun grenzen willen hebben en die grond, overigens veel te goedkoop, aanbieden. Als we doorgaan op de ingeslagen weg, dan verandert het landschap in één grote suburbane brij. En die tast uiteindelijk de levenskwaliteit aan, zodat Nederland ten slotte toch onaantrekkelijk wordt voor buitenlandse investeerders. Op lange termijn is laissez-faire in de ruimtelijke inrichting dus ook economisch schadelijk.

„Bovendien is een strikt economische benadering van de ruimtelijke ordening armoedig. De ruimtelijke inrichting van Nederland is ook een cultuurgoed. Toch ben ik niet tegen marktwerking in de ruimtelijke ordening. De rijksoverheid kan onmogelijk alles bepalen, doen en regelen. Publiek-private samenwerking kan ook schitterende dingen tot stand brengen, zoals in Frankrijk het nieuwe, door Norman Foster ontworpen viaduct van Milau bewijst. De rijksoverheid moet in de ruimtelijke ordening een nieuwe rol krijgen en niet optreden als de grote regelaar, maar als inspirator, als coach en soms als scheidsrechter. Maar om deze rol goed te vervullen moet de rijksoverheid wel weten wat ze wil met Nederland.”

Wilt u reageren? Mail uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam